Geschilderde tijdlijn van Plato via Mesmer en Coué naar de moderne kijk op de kritische factor

Geschiedenis, Uitleg  | 

De lange weg naar de kritische factor

Op een oude prentbriefkaart met een variant op de autosuggestie van Émile Coué (1857-1926) staat een kleine trap van overtuiging. Eerst klinkt nog onzekerheid: I hope. Daarna wordt het I think. Uiteindelijk staat er: I know. In enkele woorden verbeeldt de kaart hoe een gedachte van gedaante verandert: eerst als wens, vervolgens als mogelijkheid en ten slotte als zekerheid.

Prentbriefkaart van Coué bij de geschiedenis van de kritische factor

Prentbriefkaart met een variant op de autosuggestie van Émile Coué: eerst I hope, dan I think, uiteindelijk I know.

Dat is een treffend vertrekpunt voor de geschiedenis van de kritische factor. Coués bekende formule, “Elke dag gaat het mij, in alle opzichten, beter en beter”, berustte op het idee dat herhaling verwachting vormt. De volksmond zegt: “Hoop doet leven.” Coué geeft die oude gedachte een nieuwe vorm. Door een hoopvolle verwachting telkens opnieuw onder woorden te brengen, meent hij dat zij geleidelijk overtuigingskracht krijgt.

Maar waarom werkt de ene suggestie wel en glijdt de andere af? Waarom bereiken sommige woorden iemand, terwijl andere worden afgewezen?

Die vraag krijgt later in de hypnosepraktijk de naam kritische factor: het beoordelende vermogen waarmee mensen nieuwe informatie toetsen aan wat zij al geloven, vrezen, verwachten en hebben meegemaakt. In hypnoseopleidingen wordt dit vaak voorgesteld als een poortwachter. Dat beeld is eenvoudig en bruikbaar, maar de vraag erachter is veel ouder dan de moderne hypnose.

Zij loopt door de filosofie, religieuze zelfonderzoeking, geneeskunde, hypnose, psychotherapie en cognitieve psychologie. Maar zij leeft ook buiten de boeken van geleerden. De volksmond wist al eeuwen dat “schijn bedriegt”, dat “de wens de vader van de gedachte is” en dat “wie eenmaal gebrand is, het vuur schuwt”. Zulke uitdrukkingen zijn geen psychologie in wetenschappelijke zin, maar zij zijn wel gebaseerd op scherpe mensenkennis over verwachting, ervaring en overtuiging.

De geschiedenis van de kritische factor blijkt meer dan een voorgeschiedenis van de hypnose. Zij laat zien hoe mensen in verschillende tijden probeerden te begrijpen waarom een gedachte wordt aanvaard, betwijfeld of afgewezen. Dan blijkt ze uiteindelijk een cultuurgeschiedenis van menselijke overtuiging.

Schijn en werkelijkheid

Een logisch beginpunt ligt bij Plato (427-347 v.Chr.), de Griekse filosoof die in de vierde eeuw voor Christus nadacht over kennis, waarheid en opvoeding. In zijn grotvergelijking zitten mensen vastgeketend in een grot. Zij zien alleen schaduwen op de wand en houden die voor werkelijkheid, omdat zij nooit iets anders hebben gekend. Pas wie zich losmaakt en naar buiten gaat, ontdekt dat hij niet de werkelijkheid zelf zag, maar slechts haar schaduw.

Plato’s beeld raakt een probleem dat steeds opnieuw terugkeert: mensen nemen de wereld niet neutraal waar. Zij zien door gewoonte, opvoeding, verwachting en ervaring heen. Wat vertrouwd is, lijkt vanzelf waar. Wat vreemd is, roept weerstand op. De volksmond zegt het eenvoudiger: niet alles is wat het lijkt.

Aristoteles (384-322 v.Chr.), Plato’s leerling en een van de grondleggers van de westerse logica en psychologie, verplaatst de aandacht naar de werking van de geest zelf. Hij ziet verbeelding niet als een bijkomstigheid, maar als een noodzakelijke schakel tussen waarneming en denken. Mensen herinneren, verwachten en redeneren met innerlijke beelden. Juist dan blijkt dat de verbeelding kan helpen, maar ook misleiden. Een levendig beeld kan bijna dezelfde kracht krijgen als een waargenomen gebeurtenis.

Daar ligt al een vroege voorloper van een later hypnoseprobleem. Suggestie werkt niet doordat woorden magische kracht bezitten, maar doordat woorden beelden, verwachtingen en gevoelens oproepen. Een suggestie werkt pas als zij iets in de verbeelding in beweging zet.

Indruk en instemming

De Stoïcijnen (ca. 300 v.Chr.-200 n.Chr.), een filosofische school uit de oudheid die veel aandacht heeft voor zelfbeheersing en innerlijke vrijheid, maken dit probleem praktisch. Zij onderscheiden de eerste indruk die zich aan ons opdringt van de instemming die daarop kan volgen. Een gedachte, angst of overtuiging kan sterk aanvoelen, maar dat betekent nog niet dat zij waar is of gevolgd moet worden.

Tussen indruk en overtuiging ligt een kleine, beslissende ruimte. Daar kan iemand onderzoeken: klopt dit wel? Moet ik hierin meegaan? Is mijn eerste reactie betrouwbaar?

Twijfel ontstaat daarbij niet bij iedere gedachte in gelijke mate. Mensen onderzoeken het vreemde meestal kritischer dan het vertrouwde. Juist overtuigingen waarmee iemand is opgegroeid, kunnen zo vanzelfsprekend aanvoelen dat zij nauwelijks nog als overtuiging worden herkend. Twijfel is dus niet alleen een teken van kritisch vermogen. Ook de richting van de twijfel wordt gevormd door gewoonte, opvoeding en ervaring. Wat bij de een onmiddellijk wantrouwen oproept, kan voor de ander juist buiten iedere discussie staan.

Je kunt nog niet zeggen dat de Stoïcijnen de kritische factor ontdekten, maar zij formuleerden wel het probleem waarvoor dat latere begrip een eenvoudige naam werd: niet alles wat zich in de geest aandient, verdient toegang tot overtuiging. De volksmond zegt het korter: bezint eer gij begint.

Die gedachte komt later terug in religieuze vormen van zelfonderzoek. Augustinus (354-430), de vroegchristelijke filosoof die nadenkt over geheugen, verlangen en innerlijke verdeeldheid, beschrijft de mens als iemand die zichzelf niet volledig doorziet. Hij oordeelt nooit alleen met zijn verstand. Hoop, angst, schaamte, liefde en herinnering spreken mee. In middeleeuwse kloosters en bewegingen als de Moderne Devotie (1374-1500) wordt dat innerlijke onderzoek een oefening: niet iedere ingeving verdient vertrouwen, en niet iedere innerlijke stem wijst de goede weg.

Deze religieuze oefeningen zijn natuurlijk nog geen theorieën over hypnose of suggestie, maar behandelen wel een verwant probleem: een gedachte die zich aandient, is nog niet hetzelfde als een gedachte waarmee men instemt. Tussen ingeving en aanvaarding ligt een vorm van onderzoek. Juist dat onderscheid wordt later, in een andere taal en binnen een andere praktijk, opnieuw belangrijk.

Het verstand onder verdenking

In de vroegmoderne tijd verschuift de aandacht van het geweten naar het verstand. Francis Bacon (1561-1626), de Engelse filosoof die vaak wordt gezien als een voorloper van de moderne wetenschap, waarschuwt voor de “afgoden” van het denken: vaste vertekeningen (“idola”) die het oordeel verstoren. Sommige komen voort uit de menselijke natuur, andere uit taal, opvoeding, gewoonte of ontzag voor autoriteit. Mensen zien de wereld niet rechtstreeks, maar door patronen van verwachting en vooroordeel heen, ofwel zoals de minder geleerde mensen zeiden: “Ieder bekijkt de wereld door zijn eigen bril.”

René Descartes (1596-1650), de Franse filosoof van de radicale twijfel, zoekt zekerheid door alles wat misleidbaar is tijdelijk op te schorten. Wat mag als waar worden toegelaten? Wat moet als onzeker worden afgewezen? Ook dat is, op een andere manier, een poging om de beoordelende functie van de geest te zuiveren.

Andere denkers wijzen juist op de krachten die het verstand telkens doorkruisen. Nicolas Malebranche (1638-1715), een Franse filosoof en theoloog, benadrukt de macht van de verbeelding. Mensen geloven niet alleen omdat iets logisch bewezen is, maar ook omdat een beeld levendig is, een spreker gezag uitstraalt of een gedachte vaak genoeg wordt herhaald.

Ook vandaag werkt de verbeelding zo. Een kort filmpje van een huilende moeder, een dreigende straat of een succesvolle influencer kan meer overtuigingskracht hebben dan een pagina met cijfers. Niet omdat het bewijs sterker is, maar omdat het beeld zich sneller in het gevoel nestelt.

Baruch Spinoza (1632-1677), de Nederlandse filosoof van rede en affecten, gaat nog verder: mensen denken vrij te oordelen, maar kennen vaak de oorzaken van hun oordeel niet. Hoop, angst, liefde en afkeer kleuren de werkelijkheid voordat het verstand haar onder woorden brengt. Daarmee komt de geschiedenis dicht bij een modern inzicht: overtuigingen zijn niet alleen conclusies uit argumenten. Zij zijn verweven met lichaam, emotie, herinnering, opvoeding en omgeving.

Een voorbeeld is de manier waarop in populistische retoriek door bijvoorbeeld de PVV de veiligheid van vrouwen op straat wordt gekoppeld aan migratie. Het gaat daarbij niet alleen om bezorgdheid over geweld tegen vrouwen, maar vooral om stereotypering van slachtoffers en daders. De vrouwen zijn “Hollandse” kwetsbare slachtoffers die beschermd moeten worden. De niet-westerse, Arabische, Noord-Afrikaanse of “donkere” man is de vanzelfsprekende bedreiging. Zo ontstaat een eenvoudig en emotioneel krachtig beeld: “onze” vrouwen zijn niet meer veilig omdat “zij” hier zijn. De complexiteit van geweld tegen vrouwen verdwijnt daarmee naar de achtergrond. Huiselijk geweld, femicide, machtsverhoudingen, sociale controle en daderschap binnen alle groepen worden vervangen door één herkenbare voorstelling van gevaar. Zo wordt het kritische beoordelingsvermogen gedeeltelijk op een zijspoor gezet. De stereotype voorstelling voelt onmiddellijk waar, omdat zij inspeelt op angst, bescherming, afkeer en groepsloyaliteit, nog voordat de feiten zijn onderzocht.

Anders dan de zorgvuldige hypnotherapeut vraagt de populist niet om toestemming. De hypnotherapeut werkt openlijk, met instemming van de cliënt en met een vooraf besproken doel. De populistische politicus doet dat niet. Die kondigt niet aan dat hij het kritische beoordelingsvermogen wil passeren, maar probeert het te omzeilen met beeld, herhaling, verontwaardiging en dreiging. De suggestie wordt niet als suggestie aangeboden, maar vermomd als gezond verstand: “iedereen ziet toch wat er gebeurt.” Daardoor voelt de toehoorder zich niet gemanipuleerd, maar juist wakker geschud. Dat maakt deze vorm van beïnvloeding zo effectief: zij schakelt het wantrouwen tegenover de spreker uit door het wantrouwen tegenover een aangewezen vijand te vergroten.

Ervaring wordt verwachting

John Locke (1632-1704), de Engelse filosoof van het empirisme, stelt dat de menselijke geest niet met aangeboren ideeën ter wereld komt, maar gevormd wordt door ervaring. Die ervaringen blijven niet los naast elkaar liggen maar verbinden zicht met elkaar. Een kind dat herhaaldelijk hoort dat honden gevaarlijk zijn, kan later spanning voelen voordat een hond ook maar iets doet. Het lichaam leert soms sneller dan het verstand.

David Hume (1711-1776), een Schotse filosoof die nadenkt over gewoonte en oorzaakgevolg, gaat nog verder. Veel van wat wij oorzaak en gevolg noemen, berust volgens hem op herhaling. Omdat wij gebeurtenissen vaak samen zien, verwachten wij dat zij opnieuw samen zullen optreden. Verwachting wordt dan een stille kracht in ons oordeel. Wij denken dat wij alleen waarnemen, maar in werkelijkheid voorspellen wij voortdurend.

Amerikaanse krantenstrip over de formule van Coué

Amerikaanse krantenstrip uit ca. 1923 waarin Coués beroemde formule “Day by day, in every way, I’m getting better and better” wordt geparodieerd. De grap werkt alleen als de lezer Coués spreuk al kent. “Mangier and mangier” is een verbastering van “better and better” en betekent letterlijk “steeds schurftiger en schurftiger”

Ook de volksmond kende dat verschijnsel: “door schade en schande wordt je wijs”. Dat is geen laboratoriumpsychologie, maar het beschrijft wel hoe ervaring verwachting wordt. Een oude pijn maakt een nieuwe situatie verdacht. Een eerdere teleurstelling kan vertrouwen blokkeren. Een gewoonte kan sterker zijn dan een redenering.

De blik van de ander

Ten slotte brengen denkers als Montesquieu en Rousseau (1712-1778), de sociale omgeving nadrukkelijker in beeld. Montesquieu onderzoekt hoe wetten, zeden en gewoonten samenlevingen vormen. Rousseau denkt na over opvoeding, schaamte, ongelijkheid en de blik van de ander. Beiden laten zien dat mensen hun overtuigingen niet in afzondering vormen. Wij leven in gemeenschappen die bepalen wat normaal, verdacht, prijzenswaardig of beschamend is. “De muren hebben oren.”

In families, dorpen, kerken, scholen en beroepsgroepen ontstaat een gedeeld gevoel voor wat vanzelf spreekt. Wie daarvan afwijkt, loopt het risico te worden uitgelachen, gecorrigeerd of buitengesloten. Het oordeel van de ander wordt langzaam een stem in het eigen hoofd.

Ook dat is belangrijk voor de geschiedenis van suggestie. Een suggestie komt nooit in een lege ruimte terecht. Zij wordt ontvangen door iemand die al leeft binnen taal, gewoonten, gezag en sociale verwachtingen. Daarom kan dezelfde boodschap bij de ene mens onmiddellijk aanslaan en bij de ander niets uitrichten. Ook hier geldt vaak dat “de toon de muziek maakt.”

Mesmer en de kracht van verwachting

In de achttiende eeuw meent Franz Anton Mesmer (1734-1815), dat ziekte en genezing afhangen van een onzichtbaar fluïdum, dat hij dierlijk magnetisme noemt. Voor het bestaan van dit fluïdum is geen overtuigend bewijs gevonden. Toch is Mesmer historisch belangrijk, omdat de praktijk die rond zijn theorie ontstaat verschijnselen zichtbaar maakt die met zijn eigen theorieen niet goed verklaarbaar zijn.

Zijn behandelingen zijn indrukwekkende gebeurtenissen. Patiënten verzamelen zich rond de beroemde baquet, een vat met ijzervijlsel en ijzeren staven. Er is stilte, spanning, aanraking, verwachting, gezag en groepsgevoel. Mensen reageren met warmte, trillen, huilbuien, rust, pijnvermindering of heftige crises. Niet alles is betrouwbaar, en veel wordt waarschijnlijk gestuurd door verwachting en omgeving. Maar juist dat maakt Mesmers praktijk zo interessant.

Een Franse commissie in 1784, met onder anderen Benjamin Franklin en Antoine Lavoisier, onderzoekt Mesmers beweringen. Zij stelt niet alleen de vraag of het fluïdum bestaat, maar ook wat er gebeurt als mensen denken dat zij gemagnetiseerd worden. De onderzoekers proberen de veronderstelde magnetische werking te scheiden van de verwachting van de proefpersonen. Mensen blijken soms lichamelijke of emotionele reacties te vertonen wanneer zij denken dat zij worden gemagnetiseerd, terwijl de bedoelde behandeling niet plaatsvindt. Omgekeerd blijven zulke reacties soms uit als ze zonder het te weten wel gemagnetiseerd worden. De commissie concludeert daaruit dat verbeelding en verwachting een belangrijker rol spelen dan het veronderstelde fluïdum.

Voor Mesmers theorie is dat vernietigend. Voor de geschiedenis van de psychologie is het vruchtbaar. Het laat zien dat verwachting zelf lichamelijke en emotionele effecten kan hebben. Niet omdat gedachten natuurwetten opzijzetten, maar omdat betekenis en verwachting de menselijke ervaring mede vormen.

Hier begint de latere geschiedenis van hypnose, suggestie en placebo herkenbaar te worden.

Van magnetisme naar suggestie

Na Mesmer verschuift de aandacht langzaam. Markies de Puységur (1751-1825), ontdekt dat sommige mensen niet in heftige crises raken, maar in een rustige, slaapachtige toestand waarin zij kunnen spreken en reageren. James Braid verwerpt later de magnetische verklaring en richt de aandacht op concentratie, vermoeidheid en mentale gerichtheid. Hypnose wordt geleidelijk minder een geheimzinnige kracht en meer een psychologisch verschijnsel.

In Nancy krijgt deze ontwikkeling een beslissende wending. Ambroise-Auguste Liébeault en Hippolyte Bernheim (1840-1919), leggen de nadruk op suggestie. Bernheim begint zich af te vragen of hypnose wel het belangrijkste verschijnsel is. Misschien verklaart hypnose niet de werking van suggestie, maar verklaart suggestie juist een groot deel van de hypnose.

Dat is een belangrijk keerpunt. Suggestie wordt alledaagser en tegelijk belangrijker. Zij is niet langer alleen verbonden met trance, slaap of magnetische kracht. Zij hoort bij de manier waarop mensen reageren op woorden, gezag, verwachting en vertrouwen.

Daarmee verschuift ook de centrale vraag. Het gaat niet meer uitsluitend om de toestand waarin iemand verkeert, maar om de voorwaarden waaronder een mededeling aannemelijk en werkzaam wordt. Suggestibiliteit is dan geen eenvoudige openheid voor bevelen. Zij hangt samen met betekenis, verwachting, verhouding tot de behandelaar en de mate waarin een suggestie past binnen wat iemand mogelijk acht.

Bernheim ziet dat dezelfde suggestie bij de ene patiënt werkt en bij de andere niet. Dat verschil hangt niet alleen af van techniek. Vertrouwen, eerdere ervaringen, de reputatie van de behandelaar, de sfeer in de spreekkamer en de betekenis die de patiënt aan de behandeling geeft, spelen allemaal mee.

Daar ligt een duidelijke voorloper van wat later de kritische factor wordt genoemd. Een suggestie wordt niet automatisch geaccepteerd. Zij wordt gewogen, vaak bewust, maar nog vaker stil en onbewust afgewogen tegen alles wat iemand al gelooft, vreest, hoopt en heeft meegemaakt.

Elman en het hypnose-onderwijsmodel

In de twintigste-eeuwse hypnosepraktijk is het begrip kritische factor vooral verbonden met het hypnose-onderwijs van Dave Elman (1900-1967). Hij gebruikt het niet als een nauwkeurig afgebakende wetenschappelijke theorie, maar als een praktisch model waarmee hij artsen, tandartsen en therapeuten snel duidelijk kan maken waarom een suggestie soms wordt aanvaard en soms wordt afgewezen.

Daarvoor heeft hij heldere beelden nodig. De kritische factor is zo’n beeld. Elman beschrijft hoe mensen nieuwe informatie vergelijken met wat zij al weten, geloven en verwachten. Wanneer een suggestie te sterk botst met bestaande overtuigingen, wordt zij meestal afgewezen. Wanneer zij aansluit bij wat iemand al als mogelijk ervaart, kan zij gemakkelijker worden toegelaten.

Zijn verdienste ligt niet in het ontdekken van een nieuw orgaan van de geest. Er zit nergens in het brein een censor die suggesties stempelt als “toegelaten” of “geweigerd”. Elmans kracht ligt in pedagogische helderheid. Hij geeft een naam aan een oud probleem en maakt het bruikbaar voor de praktijk.

De blijvende aantrekkingskracht van het begrip ligt in die eenvoud. Het benoemt een herkenbare ervaring: sommige woorden worden onmiddellijk aannemelijk, andere stuiten op weerstand, en dezelfde boodschap kan anders klinken wanneer zij wordt uitgesproken door iemand die vertrouwen of gezag geniet. Als praktisch beeld is de kritische factor bruikbaar, zolang men haar niet aanziet voor een afzonderlijk onderdeel van de geest.

Wanneer hypnotherapeuten zeggen dat hypnose de kritische factor “omzeilt”, gebruiken zij een praktisch beeld. Zij bedoelen dat iemand in hypnose minder bezig is met analyseren, controleren en tegenspreken, en meer met beleving, verbeelding en verwachting. Daardoor kunnen suggesties soms makkelijker worden onderzocht of ervaren.

Maar dat betekent niet dat er een afzonderlijk mentaal loket wordt gepasseerd. Ook in hypnose blijft een suggestie terechtkomen bij iemand met herinneringen, overtuigingen, angsten, verlangens en vertrouwen. Hypnose schakelt beoordeling dus niet uit, maar verandert de omstandigheden waaronder iets aannemelijk, voorstelbaar of aanvaardbaar wordt. Juist daarom werkt dezelfde suggestie bij de ene persoon wel en bij de andere niet.

Van poortwachter naar netwerk

Eigenlijk is het poortwachterbeeld te eenvoudig. De moderne psychologie ziet oordeel niet als het werk van één centrale instantie. Wat wij geloven of afwijzen ontstaat uit een samenwerking van aandacht, geheugen, emotie, taal, lichaam, sociale context en verwachting.

Soms is dat oordeel bewust. Dan denken wij na, wegen argumenten en trekken een conclusie. Maar vaak verloopt het sneller en stiller. Een gezicht voelt betrouwbaar of juist niet. Een behandeling wekt hoop of achterdocht. Een politieke boodschap klinkt vanzelfsprekend of bedreigend. Een compliment wordt aangenomen of meteen afgeweerd.

Psychologische modellen van voorspellende verwerking sluiten hierbij aan. In deze benaderingen wordt het brein niet voorgesteld als een passieve ontvanger van informatie, maar als een systeem dat voortdurend verwachtingen vormt over wat het waarschijnlijk zal waarnemen. Nieuwe indrukken worden vergeleken met die verwachtingen. Wanneer verwachting en ervaring uiteenlopen, kan het bestaande model worden aangepast, maar de nieuwe indruk kan ook zo worden geïnterpreteerd dat zij binnen het vertrouwde patroon blijft passen.

Dit model is verfijnder dan het beeld van een enkele poortwachter. Toch behandelt het hetzelfde grondprobleem: waarneming en overtuiging ontstaan niet op een leeg terrein. Nieuwe informatie krijgt betekenis in verhouding tot wat al wordt verwacht, herinnerd en voor mogelijk wordt gehouden.

Volkscultuur en mensenkennis

Misschien is het meest verrassende aan deze geschiedenis dat veel inzichten al lang in de volkscultuur aanwezig waren. Niet als theorie, maar als mensenkennis.

De volksmond vatte het kernachtig samen: “eerst zien, dan geloven”. Zulke uitdrukkingen zijn geen psychologie in wetenschappelijke zin, maar zij bewaren wel mensenkennis over waarneming, ervaring en overtuiging.

Ook gebruiken rond ziekte en genezing laten zien hoe sterk behandeling verbonden kan zijn met betekenis. Het bezoek aan een heilige bron, de handoplegging door een genezer, een gebed aan het ziekbed of het dragen van een amulet bieden niet alleen een handeling, maar ook een kader van verwachting. De zieke weet wat het ritueel betekent, kent vaak de reputatie van de plaats of de behandelaar en wordt omgeven door aandacht, herhaling en vertrouwen. Dat bewijst niet dat zulke gebruiken de onderliggende ziekte genezen. Het toont wel dat de beleving van een behandeling nooit uitsluitend door haar chemische of technische bestanddelen wordt bepaald.

Diezelfde werking is ook herkenbaar in liederen en vaste gebruiken. Een wiegelied kalmeert niet alleen door de woorden, maar door stem, herhaling, nabijheid en ritme. Een processielied of strijdlied brengt mensen in een gedeelde stemming en maakt hoop, vrees of moed voelbaar voordat zij beredeneerd worden. Woorden werken hier niet los van de situatie waarin zij klinken.

Modern placebo-onderzoek bevestigt een deel van die oude mensenkennis. Verwachting, ritueel en de betekenis van een behandeling kunnen invloed hebben op ervaren pijn, spanning, misselijkheid en andere klachten. Dat betekent niet dat een verwachting willekeurig iedere ziekte kan genezen, of dat een lichamelijke aandoening alleen maar “tussen de oren” zou zitten. Het betekent dat de ervaring van symptomen ook wordt beïnvloed door de wijze waarop een behandeling wordt aangeboden, begrepen en verwacht.

Zo bekeken staat de kritische factor niet los van het gewone leven. Zij verschijnt niet alleen in de spreekkamer van de hypnotiseur, maar ook aan de keukentafel, in de kerkbank, bij het ziekbed, in het lied dat telkens opnieuw wordt gezongen en in het ritueel dat vertrouwen wekt. Overal worden woorden en handelingen ontvangen door mensen die al iets hebben meegemaakt, iets vrezen, iets hopen en iets verwachten.

Bestaat de kritische factor?

Bestaat de kritische factor werkelijk? Als daarmee een afzonderlijke instantie wordt bedoeld die suggesties een voor een keurt, is het antwoord nee. Er is geen innerlijk loket waarachter een ambtenaar gedachten stempelt met ‘toegelaten’ of ‘geweigerd’.

Als praktische naam verwijst het begrip echter wel naar een werkelijk verschijnsel. Nieuwe informatie wordt beoordeeld in samenhang met eerdere ervaringen, verwachtingen, emoties, overtuigingen en sociale verhoudingen. Dat oordeel kan bewust en beredeneerd verlopen, maar ook snel, lichamelijk en nauwelijks merkbaar.

Blue Swan-advertentie uit 1956 met Coués formule better and better
Mensen zijn daardoor beïnvloedbaar, maar niet willoos. Zij kunnen een suggestie afwijzen omdat zij botst met wat zij voor waar of mogelijk houden. Zij kunnen haar ook aanvaarden als zij aansluit bij vertrouwen, verwachting of ervaring. De kritische factor is dus geen afzonderlijk onderdeel van de geest, maar een vereenvoudigende naam voor een complex proces van beoordeling en betekenisgeving.

Autosuggestie als verkooppraatje. Zelfs tientallen jaren na de Coué-rage wordt zijn spreuk nog herkend en gebruikt. Deze advertentie uit 1956 voor ondermode van Blue Swan opent met “every day in every way… better and better” en belooft dagelijkse vooruitgang en een beter zelfbeeld.

Mensen zijn daardoor beïnvloedbaar, maar niet willoos. Zij kunnen een suggestie afwijzen omdat zij botst met wat zij voor waar of mogelijk houden. Zij kunnen haar ook aanvaarden als zij aansluit bij vertrouwen, verwachting of ervaring. De kritische factor is dus geen afzonderlijk onderdeel van de geest, maar een vereenvoudigende naam voor een complex proces van beoordeling en betekenisgeving.

Terug naar Coué

Zo komen we terug bij de prentbriefkaart van Coué. De kleine trap van I hope naar I think en I know lijkt op het eerste gezicht eenvoudig: een gedachte wordt herhaald, krijgt meer gewicht en verandert langzaam in overtuiging. Maar de geschiedenis erachter laat zien dat die beweging nooit vanzelf spreekt.

Tussen hoop en zekerheid ligt een heel innerlijk landschap. Daarin werken herinnering, verbeelding, gewoonte, angst, verlangen, vertrouwen, opvoeding en omgeving op elkaar in. Een suggestie wordt niet simpelweg aangenomen omdat zij wordt uitgesproken. Zij wordt ontvangen door iemand die al een geschiedenis heeft.

Daarom is de kritische factor meer dan een begrip uit de hypnose. Zij is een praktische naam voor een oud menselijk probleem: waardoor komt een mens ertoe iets voor waar te houden? Plato sprak over schaduwen in de grot, de Stoïcijnen over indruk en instemming, de volksmond over schijn die bedriegt, en de moderne psychologie over schema’s, verwachting en predictieve verwerking. Steeds gaat het om dezelfde vraag: hoe wordt iets aannemelijk, geloofwaardig of waar?

Dat geldt in de spreekkamer van de therapeut, maar ook in de klas, de rechtbank, het stemhokje, de huiskamer en de ziekenhuisafdeling. Overal worden nieuwe indrukken vergeleken met bestaande overtuigingen. Overal zoeken mensen naar samenhang tussen wat zij al weten en wat zij nog niet kunnen plaatsen.

De kracht van de formule van Coué

De kracht van de Coué-formule. Ansichtkaart uit ca. 1920-1930 die Coués spreuk “Day by day, in every way, I’m getting better and better” vrolijk en makkelijk onthoudbaar maakt. Zo verspreidde autosuggestie zich ook via populaire beeldcultuur.

Ook politieke propaganda werkt, of faalt, binnen dat spanningsveld. Zij wordt niet alleen aangenomen omdat zij vaak wordt herhaald, maar omdat zij aansluit bij bestaande angsten, verlangens, groepsgevoelens of wantrouwen. En zij wordt afgewezen wanneer zij botst met ervaringen, waarden of overtuigingen die sterker zijn dan de boodschap zelf.

De waarde van het begrip ligt dus niet in het idee van een kleine innerlijke poortwachter die suggesties goed- of afkeurt. De waarde ligt in het inzicht dat overtuiging nooit alleen een kwestie is van informatie. Wie iemand wil bereiken, misleiden, geruststellen, onderwijzen of genezen, moet begrijpen wat die ander al gelooft, vreest, hoopt en heeft meegemaakt.

De weg van I hope naar I know is geen rechte trap. Zij loopt door ervaring, betekenis en vertrouwen. Soms houdt een oude overtuiging de deur gesloten. Soms maakt een nieuwe ervaring iets mogelijk wat eerst ondenkbaar leek. En soms begint verandering precies daar waar een gedachte nog aarzelend klinkt: ik hoop.