Vrouw in visual die ligt te slapen

Klaas Vaak het volkse broertje van Hypnos

‘Dit is een kleine stap voor een mens, een grote sprong voor de mensheid.’

Visual astronaut op de maanDat zei Neil Armstrong toen hij op 20 juli 1969, als eerste mens een voet op de maan zette.
Bijna precies 185 jaar eerder zetten de Franse Markies de Puységur en boer Victor Race ook zo’n bijzondere stap. Toen, op 4 mei 1784, ontdekten zij dat je het magnetiseren kon combineren met slaap. En meer dan dat, net als Armstrong vanaf de maan in contact bleef met thuisbasis Cape Canaveral in Houston op aarde hield de Puységur contact met de geest van zijn slapende patiënt. Zowel Armstrong als Race voerden opdrachten uit die van resp. aarde en de markies kwamen.

Visual over Markies de Puységur man met handen vooruit lopend
Markies de Puységur: ‘Victor hoor je mij?’

Uit die ontdekking kristalliseerde zich het begrip ‘onbewuste. Psychoanalyse, psychologie, psychiatrie’, ontelbare psychotherapieën, maar ook literatuur en allerlei kunstvormen zijn, direct of indirect, terug te voeren op die dag in 1784. ‘Bezigheden tijdens die magnetische slaap, leken op slaapwandelen en werden  somnambulisme genoemd, naar Somnus, de Romeinse god van de slaap.
Het magnetiseren moest wachten op de vaststelling dat er geen magnetisme aan te pas kwam voordat het rond 1850 op voorstel van James Braid, verwijzend naar de Griekse slaapgod Hypnos werd omgedoopt tot hypnotiseren.
Kennelijk sloten deze vernoemingen goed aan bij al bestaande opvattingen over verschijnselen als slapen, dromen, slaapwandelen en, niet te vergeten, gedragsbeïnvloeding. Wie in oude Nederlandse teksten zoekt naar personificatie van de slaap ontdekt inderdaad twee verwijzingen.
Uit de Griekse mythologie kende men Hypnos al met in zijn kielzog zijn zoon, droomgod Morpheus, Hypnos’ tweelingbroer Thanatos, god van de dood en hun zus de rivier de Lethe, wier water vergetelheid schenkt. Daarnaast was Klaas Vaak ofwel de Zandman bekend uit volksverhalen.

Hypnos en Morpheus

Opmerkelijk is dat in tegenstelling tot Morpheus, de naam Hypnos weinig voorkomt.

Meestal verwijzen schrijvers zoals P.C. Hooft en Joost van den Vondel naar de ‘Slaepgodt’. P.C. Hooft schrijft in zijn ‘Brief van Menelaus aen Helena’ (1615) tijdens het verblijf op zee:

En d’eene golf (soo ‘t scheen) die luysterd’ daer wat toe.        De ene golf die lijkt te luisteren                                                                                                                                                                            

De slaep-Godt op sijn luym om vaeck in my te wercken           De slaapgod beloert me om me in slaap te brengen.                                                                                                                                                                                       

 al ‘t ghefluyster na met wieghen van sijn vlercken:                 speelt fluisteren na met het wuiven van zijn vleugels                                                                      

En suye sust soo langh dat hy ‘t ghedacht verdooft:                en suist net zo lang tot mijn gedachten zijn verdooft.                                                                            

Doe viel hy toe en sloot sijn wiecken om mijn hooft.               En slaat dan toe en sluit zijn wieken om hoofd.                                                                      

Ook bij J. van den Vondel duikt de slaepgodt vaak op. Zoals in 1646 in ‘Eneas‘ (ook op zee!) met minder aardig gevolg voor de stuurman:

De Slaepgodt sprengkelde den stuurman, nu dus spa
En stil, den slaep van ‘t hooft met eenen tack, gedompelt
In krachtigh nat van Styx*, het welck hem overrompelt,
Terwijl ‘t vergetelnat hier langs vast nederdruipt .
De Slaepgodt luickt hem ‘t oogh, bevangt en onderkruipt
Den moeden stuurman, die met alle zijn vermogen
Den vaeck wou drijven uit zijn half beschotene oogen .
Zoo dra de stuurman van den slaep bevangen was,
En ‘t hooft neerhangen liet, krijght hem de Slaepgodt ras
Heel onder, ruckt een stuck van ‘t achterschip in ‘t vaeren,
En plompt met roer met al den slaeper in de baren,

*Niet de Styx maar de Lethe was in de Griekse mythologie de godin van de vergetelheid en een van de vijf rivieren in de onderwereld of het dodenrijk, waaruit de doden drinken om hun aardse leven te vergeten. De Lethe stroomde rond de grot van Hypnos en kronkelde verder door de onderwereld.

Klaas Vaak, het mannetje op de maan

Deze dichters voeren de ‘slaepgod’ vooral op in vertalingen en bewerkingen van Griekse en Romeinse mythologische verhalen.
Hoewel de slaapgod voorkomt in proza en poëzie als degene die mensen en goden in slaap brengt doet hij bijna niet mee in de wereldser literatuur of volksgeloof. Daarvoor hebben we Klaas Vaak. Hij is in Nederland de evenknie van het dwergje dat in andere landen bekend is als de Zandman. Hoewel Klaas Vaak geen god is maar een kabouter laat hij ook mensen in slaap vallen. Maar anders dan Hypnos die de slaap meestal aanwakkert met de vleugels aan zijn hoofd en soms door met een tak water uit de Lethe te sprenkelen, strooit Klaas Vaak, of het Zandmannetje, kinderen korrels slaapzand in de ogen. Daardoor vallen ze in slaap en beleven mooie dromen. Klaas Vaak komt binnen door de schoorsteen en, hoewel Neil Armstrong er in 1969 niets van zei, woont Klaas Vaak op de maan.
Het bewijs voor de bezoekjes van Klaas Vaak zijn de zandkorreltjes die ‘s morgens in de ooghoeken zitten (ook rheum, siep of pietjes genoemd).

De naam Klaas Vaak is niet willekeurig. In het oud-Nederlands (901–1000) bestond de uitdrukking ‘facon’ voor ‘slapen’. Tot ca. 1700 is in de Noord-Nederlandse literatuur het woord ‘vaak’ gangbaar voor ‘slaap’, bijvoorbeeld in de vaak verdrijven, de vaak uit de ogen wrijven.
Het middeleeuwse ‘vaken’ voor ‘slaperig worden, slapen’ of ‘mi vaket’ voor ‘ik krijg slaap’, was gebruikelijk. Het ‘vakeren’ voor ‘sluimeren’ zoals in de Delftse Bijbel (1477), is daarvan afgeleid.
In een Bijbelvertaling van 1360 worden slapen en vakeren afzonderlijk genoemd.

(Psalmen CXX):
die di wacht. Sich, hi en sal niet slapen noch vakeren, die Israhel behuedt.
Hij die op wacht staat om Israël te behoeden moet niet slapen of sluimeren.
Voor de hypnose is deze tweedeling een belangrijk gegeven. Het vakeren als sluimeren wijst op het stadium vlak voor het inslapen: het hypnagoge stadium.

 Hypnos semper vincit

(Hypnos overwint altijd)

Portret Henricus Bruno
Henricus Bruno (1620-1664)
kende Klaas Vaak en het zandmannetje

De voornaam Klaas is afgeleid van Nicolaas. Dit is een samentrekking van het Griekse nik dat `overwinning’ betekend en Laos dat staat voor `volk’. De naam betekent dus: `overwinnaar met (of van) het volk’.
Klaas Vaak zou dus kunnen staan voor: ‘slaap overwint iedereen’.
Ook de minder gebruikte namen Koning Slaap en Koning Vaak duiden op die almacht.
De combinatie Klaas Vaak is, voor zover nu bekend het eerst terug te vinden als Claes-vaeck in ‘Mengel-moes’(1666) van Henricus Bruno. Bruno (1620-1664) was behalve huisleraar van de kinderen van Constantijn Huygens in ’s-Gravenhage, 1638-1647 ook dichter. In een BRUYLOFS-GEDICHT Ter gelegenheid van Arent Pietersz. Jonghman, Ende Grietje Kroons, Jonge-dochter rijmt hij onder meer:

5
Sacht, sacht, ick laet mijn quellen staen,
Speelnootjes sien soo graeuw.
Ick jaegh ‘ haer roode koontjes aen :
Bruydts ooghjes werden naeuw.
’t Is met de Bruydt al midder-nacht,
Haer over-valt Claes-vaeck,
‘t Is tijdt dat sy haer by-slaep wacht,
En dat hy’t singen staeck ‘.

Kalm maar, ik laat mijn plagerijen staan
bruidsjonker en bruidsmeisje zien zo grauw
Ik jaag haar rode wangen aan
De ogen van de bruid dreigen toe te vallen
Het is voor haar al middennacht
En zij wordt overvallen door Klaas Vaak
En zij toch de huwelijksdaad verwacht
En dat de bruidegom zijn feesten staakt

Henricus Bruna kent ook het zandmannetje. In een wiegeliedje dicht hij:

( … ) hoor eens toe,
Wat schoon kinder-lied, en hoe
Ik toen zong voor mijn klein zeuntje;
‘t Is een ammereuslijk deuntje; ( … )
( … ) ‘t Zandmantje koomt
‘t Zandmantje koomt daa aan:
‘t Is tijd, dat mijn kein mantje doomt
In zuije naane, naan

Praetjes voor de vaeck

hypnotische suggesties?

Hoewel Hypnos en Klaas Vaak attributen hebben om de slaap te bewerkstelligen was het menigeen duidelijk dat het in slaap brengen ook verbaal kan.
Nog gangbaar is de uitdrukking ‘praetjes voor de vaeck’ (1613, Bredero) om aan te geven dat iemand praat om zijn luisteraar in slaap te sussen en tegelijkertijd wat wijs te maken. Een equivalent daarvan is zand in de ogen strooien.
In het toneelstuk ‘Meulenaer’ (1613) van Gerbrand Adriaenszoon Bredero probeert Piet de molenaarsvrouw Trijn Jans te verleiden. Zij voert allerlei redenen aan om hem af te weren maar Piet gaat daar niet op in. Hij noemt haar bezwaren ‘praatjes voor de vaak’ en somt zelf een paar algemeenheden op om haar te overtuigen: ook ‘praatjes voor de vaak’:

Trijn Jans

Ouwe kost goe kost, veeltijts bekomen qualijck de leckere beten.
Oude kost, goede kost, meestal vallen de lekkere hapjes verkeert
Die quaet doet, quaet ontmoet, de straf die volcht te snel.
Wie kwaad doet die kwaad ontmoet, de straf volgt er snel op

Piet

Al praetjes voor de vaeck, een gestolen beetie smaeckt wel.
Allemaal praatjes voor de vaak, een klein beetje gestolen waar smaakt ook best
Wat schaedt de lucht datter altemet ien veugheltje deut keylt?
Welke schade lijdt de lucht als er een vogeltjes door vliegt?
Wat schaedt de zee datter altemet ien scheepje deur seylt?
Welke schade lijdt de zee als er een scheepje door vaart?
Wat schaedt de aerd datse van velen werdt betreden?
Welke schade lijdt de aarde als ze door velen wordt belopen?

Trijn Jans

Dat zijn algemeene dingen die elck gebruycken mach met reden.
Dat zijn algemene dingen die iedereen, voor elk doel, kan zeggen
Altoos mijn man en siet niet liever dan dat ick my kuys hou:
Mijn man ziet het liefst dat ik mij kuis gedraag
En al wat hy doen kan, dat is voor zijn beminde huysvrou.
En doet alles wat hij kan voor zijn vrouw

De hypno-therapeutische gedragsboekjes van Klaas Vaak

Ole Ogensluiter

Tekening Klaas VaakMet het verhaal van de Deense Hans Christiaan Andersen over het dwergje Ole Lukøje krijgt Klaas Vaak in Nederland een opleving. Andersens verhaal (1842) is weliswaar gebaseerd op een oudere Scandinavische volksvertelling maar hij geeft er een eigen, nogal moralistische, draai aan. Het gaat over het jongetje Hjalmar dat zeven avonden in slaap wordt gepraat door het mannetje Ole Lukøje (letterlijk: Ole Ogensluiter) In de eerste Nederlandse vertaling (1847) heet Ole Lukøje Zandman. In 1891 word dat ‘Ole Oogensluiter’ In 1900 wordt het kereltje omgedoopt tot Ole Droomeman. Latere drukken spreken van Klaas Vaak. Ole Droomeman helpt de kinderen in slaap te komen door een beetje zoete melk in hun ogen te druppelen. Hun ogen vallen dicht waardoor ze Ole Droomeman niet kunnen zien. Dan blaast hij tegen hun achterhoofd zodat ze beginnen te knikkebollen. Boven brave kinderen houdt Ole Droomeman een paraplu met mooie plaatjes. Daarmee krijgen die kinderen de mooist denkbare dromen maar stoute kinderen daarentegen houdt hij een andere paraplu boven hun hoofd waardoor ze niet dromen maar onrustig slapen.

Het verband tussen Klaas Vaak, Hypnos, Thanatos en Lethe?

In het zaterdagverhaal spreekt Hjalmars overgrootvader vanuit een oud portret dat aan de wand hangt: ‘Hoor eens mijnheer Droomeman! Ik vind het heel lief van je dat je Hjalmar verhaaltjes vertelt, maar je moet zijn begrippen niet verwarren. Sterren kunnen niet afgehaald en opgepoetst worden. Sterren zijn groote hemellichamen, net als onze aarde en dat is juist het mooie er van.’
‘Dank je wel! Oude overgrootvader!’ zei Ole, ‘dank je wel. Je bent hoofd van de familie, het overgroothoofd! Maar ik ben nog ouder. Ik ben een oude heiden: de Romeinen en Grieken noemden mij den Droomgod! Ik kwam altijd in de deftigste huizen en daar kom ik nog! Ik kan met iedereen omgaan, met groot en klein!’

Papaver Somniferum

Andersen grijpt hier terug op de Griekse en Romeinse mythologie en combineert in Ole de slaapgod Hypnos en de droomgod Morpheus.
Van de Griekse god Hypnos wordt gezegd dat geen oog openblijft, nadat hij daarin water druppelt, geput uit de rivier de Lethe of wanneer hij door een zacht waaien met zijn vleugels de slaap verwekt.
Hypnos verwekt dus alleen de slaap. Zijn zoons, de Oneiroi, zorgen voor dromen. Dat zijn vooral Morpheus, Icelus, Phantasos en Phobetor. Zij kunnen verschillende gedaanten aannemen en zelf ook in dromen verschijnen. De belangrijkste zoon is Morpheus, Hij is de vormgever en ontwerpt en bewaakt de verhaallijn van de droom. Ook bedenkt hij menselijke personages en zorgt voor de dromen van hooggeplaatste figuren. Icelus zorgt voor realistische, Phobetor voor angstige, Phantasus voor fantasierijke dromen. Morpheus gaat ook over helden en koningen.
Door te kiezen voor ‘Droomgod’ vernoemt Andersen zijn Ole naar Morpheus maar duidelijk is dat Ole een mengsel van is van Hypnos en Morpheus. Ole brengt immers zowel slaap als dromen. Nu wordt ook opgehelderd waarom Ole anders dan de zandman met zijn toverspuitje melk in de kinderoogje spuit. Aan de ingang van de grot waarin Hypnos woont groeien papavers (Papaver Somniferum) Deze planten, vernoemd naar de Romeinse evenknie van Hypnos , de slaapgod Somnus leveren het melkwitte slaap- en droomverwekkend opium. Bij het verhaal ‘Ole Droomeman’ is dus niet voor niets een bloeiende papaver getekend.

Moralistisch gedragsboekje een nachtmerrie?

Ole Dromeman op het paardOok ‘Thanatos’ de tweelingbroer van Hypnos wordt door Andersen opgevoerd. Thanatos de god van de dood, woont met Hypnos in de grot.
Andersen schrijft:…Ik zal je mijn broêr laten zien, die heet ook Ole Droomeman, maar die komt bij iedereen altijd maar éénmaal. En als hij komt, dan neemt hij je meê op zijn paard en gaat hij aan het vertellen. Hij kent maar twee geschiedenissen; de ééne is zóó heerlijk mooi, dat geen mensch het zoo zou kunnen bedenken en de andere is afschuwelijk leelijk – ik zou het niet eens durven beschrijven!’ En toen nam Ole Droomeman den kleinen Hjalmar uit zijn bedje en hield hem voor het raam: kijk, ‘zei hij, daar heb je mijn broêr den anderen Ole Droomeman! Ze noemen hem ook wel de Dood; zie dat hij er in ’t geheel niet akelig uitziet, zooals in de prentenboekjes met al die knoken en beenderen…’. Kijk hoe hij rijdt in galop. En
Hjalmar zag hoe de andere Ole Droomeman wegreed en jonge en oude menschen meênam op zijn paard; sommigen zette hij vóór zich en anderen achter zich, maar altijd vroeg hij eerst: Hoe staat het met het gedragsboekje?’ ‘Goed’ zeiden ze allemaal; ‘Ja maar ik wou het graag zelf zien! zei hij dan, en dan moesten ze hem het boekje laten kijken. Al degenen, die heel goed of bijzonder goed hadden kwamen vóór op het paard en kregen de mooie geschiedenis te hooren, maar wie tamelijk goed had of redelijk moest achter op en kreeg de akelige geschiedenis. Dan beefden ze en huilden en wilden van het paard springen, maar dat konden ze niet want ze waren er dadelijk aan vastgegroeid.’

Hoe en wie het gedragsboekje invult vermeldt Andersen niet. Duidelijk is dat de Ole Droomeman die Thanatos verbeeldt de boekjes gebruikt voor een laatste oordeel.
Maar ook Ole Droomeman, het slaapmannetje, let op goed gedrag: De keuze van de paraplu hangt af van het gedrag van de kinderen.
Op de eerste avond pakt het voor Hjalmar niet goed uit doordat Ole Droomeman het slecht gemaakt huiswerk van Hjalmar ziet. De scheve en misvormde letters moeten eerst rechtgezet worden. Maar de volgende avonden mag Hjalmar mee op droomreizen. In die dromen – een soort imaginaire reizen krijgt de jongen de gelegenheid zich van zijn goede kant te laten zien.
In de woensdagvertelling regent het verschrikkelijk hard. Voor de deur is een groot meer ontstaan waar het prachtigste schip ligt. Ze zeilen zo lang dat er geen land meer te zien is. Boven hen vliegt een groep ooievaars die naar warme landen reizen. Eén ooievaar kan het niet bijhouden en landt op het schip. De scheepsjongen zet hem in het kippenhok waar het dier wordt bespot door alle kippen. ‘Wat een rare. We zullen het er maar over eens zijn dat hij dom is.’ Wat heb je een paar mooie dunne benen’ zei de kalkoensche haan’. Wat kosten ze de el?’ Na een poosje loopt Hjalmar naar het kippenhok en bevrijdt de uitgeruste ooievaar die na een dankbaar knikje naar Hjalmar verder reist naar de warme landen.

Het verhaal van Klaas Vaak is talloze malen bewerkt en daardoor geëvolueerd. In de loop daarvan is de band met Hypnos steeds meer vervaagd.
In 1932 maakte A.B. Tienhoven een versie zonder Hypnos. Met het wegvallen van Hypnos’ broer De Dood verdween ook het grimmige karakter van de vertelling.
Wat bleef was het moralistisch element.
En kennelijk werd in die tijd van kinderen meer psychologisch inzicht verwacht.
Het verhaal draait nu om Marietje die met Klaas Vaak een pakje door elkaar geraakte plaatjes sorteert. Elk plaatje is als een hoofdstuk van een groot boek en is gemaakt door een vriendje van Klaas Vaak.
Het eerste hoofdstuk is geschreven door Klaas Illusie. Hij laat dingen zien die voor een gewoon mens bijna onbereikbaar zijn. Die dingen kun je je alleen maar verbeelden of er over dromen.
Het tweede hoofdstuk is het domein van Klaas Fantasio. Met een toverstafje geeft hij Marietje vleugels om zijn gebied te bezoeken. Dat is het grootste want daar is álles mogelijk.
Dat heeft als groot voordeel, dat mensen weten dat het niet echt is en ze dus niet teleurgesteld kunnen worden.
Het derde vriendje is Klaas Memorie. Hij heeft een aantekenboek waarin Marietje mag kijken.
Op aanraden van Klaas Vaak worden nare herinneringen overgeslagen. Zodra ze prettige dingen herkend tovert Memorie haar daarheen en beleeft ze die opnieuw.
Het vierde vriendje van Klaas Vaak is Klaas Concience. Hij is lang niet zo aardig als de anderen. Hij draagt een stijf zwart pakje en lijkt een beetje op een kwaad en streng schoolhoofd die een standje geeft. Hij laat de kinderen in hun geweten kijken. Bij nare plaatsen geeft hij hen voor straf een nare droom. Net als Hjalmar wordt Marietje beknord om een slecht handschrift maar bij Marietjes volgt nog een reeks andere misstappen.
Als Marietje zegt dat ze die laatste dromen niet aardig vind legt Klaas Vaak haar uit dat die dromen juist de beste zijn omdat kinderen daarmee hun ondeugd afleren.

Maar nu de hypnotische suggesties!

Hoewel de slaap en sluimering dus oude bekenden zijn is dat niet voldoende om beschouwd te worden als voorloper van hypnose.
De hypnose en hypnotherapie bestaan immers uit de combinatie van sluimering én suggesties.
We zoeken dus ook naar een bruikbare voorloper van de moderne hypnose-suggestie.
Bredero dicht over de Praetjes voor de Vaeck zonder dat uit te leggen. Dat doet vermoeden dat het toen al een bekend begrip was. Die gedachte wordt gestaafd door een boekje dat een jaar later verscheen waarvan de titel verwijst naar Praatjes voor het slapen: Nacht-corter, of Praetgen voor de vaeck. (Nacht-corter, of praetgen voor de vaeck, tusschen een Poolsche broeder, met zyn schipper, op de reyse van amsterdam nae Dansick. 1613)

En waarom ook niet? Het is onaannemelijk dat pas met de introductie van methodische hypnose en suggesties opeens ontdekt werd dat met de combinatie sluimeren en suggestieve teksten mensen beïnvloed konden worden.

Suggestie

Eén suggestieve manier van beïnvloeding die al honderden jaren bestaat vinden we in de incantatieliteratuur. Dat is de verzamelnaam voor formules die deel zijn van de – nog – veel voorkomende bezweringsgebruiken. Dat zijn onder meer bezweringen en volksgebeden zoals afweerformules en zegens. Deze teksten zijn soms stokoud. We kennen voorbeelden uit de boeken van Jacob van Maerlant[i] (ca. 1230-1300)
Hoewel bezweringsgebruiken veel bestudeerd zijn gaat de belangstelling vooral uit naar de inhoud en toepassingsmogelijkheden van de formules.
Voor het vinden van suggestief werkende elementen die gezien kunnen worden als voorloper van de moderne hypnotherapie blijken ook vorm, stijlelementen en begeleidende handelingen van de bezweringsformulieren interessant.

Omzeilen van de kritische factor

De bezweringspraktijk gaat uit van een geloof aan ziektebewerkende, beschermende en heilbrengende krachten die buiten de zintuiglijk ervaringen liggen. J, van Haver [ii] schrijft: ’De aanvaarding van deze mytische en onzichtbare werkelijkheid impliceert een onkritische houding die veel meer door gevoel en wil wordt geleid dan door argumentatie. Hij noemt dit pre-logisch denken. Hij wijst er op dat de enkeling, zelfs als het strijdig is met godsdienstige of burgerlijke wettelijkheden of wetenschap het gebruik van bezweren rechtvaardigt doordat hij zich daarin gedekt weet door zijn groep: iedereen doet het.
Belangrijk gegeven is dat de belezer pas zijn kunst uitoefent nadat de patiënt hem de absolute verzekering heeft gegeven dat hij vertrouwen stelt in zijn kunst en dat de bezwering hem zal genezen.
Het bezweren gebeurde volgens onderzoeker I. Schutz (Van Haver) door ‘brave en dienstvaardige mensen die onbaatzuchtig raad wisten tegen alles, en die de ziekten konden aflezen met hun onweerstaanbare formules en vele kruistekens‘. De kunst van belezen was geheim en werd overgeërfd van man op vrouw en omgekeerd. Daarnaast waren er formules, veelal gebeden en zegens die hardop uitgesproken werden.

Tot voor kort was reguliere geneeskundige hulp op het platteland geen vanzelfsprekende zaak. Bovendien was een dokter een buitenstaander en moest – niet onbelangrijk – betaald worden.
De belezer daarentegen was vaak een dorpsgenoot, die het belezen voor niets deed.
Van Haver: ‘Deze geneesmethode heeft zonder twijfel ook mensen geholpen. Dit gebeurt wel niet door de objectieve werking van de bezwering of de behandeling. Suggestie en autosuggestie deden vroeger evenzeer hun werk. Tot deze suggestie droegen zowel vorm als inhoud dezer formules bij en haar kracht zal wel een goede voedingsbodem gevonden hebben in de blijde illusie van diegenen die meenden daardoor bevrijd geworden te zijn van allerlei kwalen’.

De genezingen werden onthouden terwijl de mislukkingen volgens Van Haver toegeschreven werden aan het niet strikt naleven van de voorschriften. Dit vooroordeel ten gunste van de bezweerder werd door de hele gemeenschap gedeeld.

De rol van de patiënt: actief en inductief

bladzijde uit bezweringenboek
19e-eeuws boek met bezweringen, door een Welshe arts

Van Haver: ‘terloops kan hier gewezen worden op de medewerking van de belezene. Tijdens het belezingsritueel moet hij vaak bidden, bijvoorbeeld een aantal weesgegroetjes. Men kan die medewerking ook zien als een afleiding, waardoor het geheim karakter van de eigenlijke incantatie meer beveiligd schijnt. Anderzijds zal ze bij de belezende de magisch situatie versterken (en bijvoorbeeld negen dagen doen volhouden door het volbrengen van een zogenaamde boete’. Ook weegt het mee dat de patiënt zijn vertrouwen heeft uitgesproken in de geneeskunst van de belezer en dat de bezwering hem zal genezen.’
Opvallend is de plaats die het sint Jansevangelie inneemt in volksgeloof. Men ziet het als zeer krachtdadig en als hulp bij veel moeilijkheden. Veel volkskundigen beschouwen het daarom als een bezwering die vaak het begin is van grotere bezweringsformules.

 

Stijlelementen: De yes set in bezweringsrituelen

Hoewel van Haver de bezweringsrituelen pre-logisch noemt wordt er in elke behandeling voor iedere specifieke situatie een dienstbare logica overeengekomen tussen belezer en patiënt. Deze vormt een yes set die de patiënt bijna dwangmatig naar de genezing voert.
Een yes set ontstaat doordat iemand na een paar keer heeft ingestemd en de volgende suggestie ook opvolgt. Dit zolang de suggestie past binnen het kader dat de cliënt toestaat, en de suggestie niet teveel afwijkt van de vorige suggesties.
Dat passend kader bepaald de patiënt al door zijn volledig vertrouwen in de behandeling uit te spreken. Het afwijken van voorgaande suggesties wordt meestal voorkomen doordat de formule bestaat uit een vast stramien. Dat stramien kan verschillen naar inhoud en/of vorm.
De inhoud kan onder meer een – soms zelfs zeer kort bevel zijn: ‘Koorts ga, ik ben niet thuis’ of een vergelijking als: ‘Zo waar dat God de H. Geest God is; Zo waar zult gij genezen’
De inhoud kan ook juist de handeling beschrijven: ‘Ik wrijf al de pezen en haren in deze hand’.
Formules in de vorm van een berijmde tekst komen heel veel voor. Rijmen is een goede hulp om ze te onthouden. Maar we weten ook dat rijm en ritme helpen de verlangde yes set op te roepen.:

Dit arm of poot
Is verrekt of verstoot
’s zal niet verrotten of verzweren
In de naam des Heren

Van Haver ontdekte dat veel formules uit drieën bestaan zoals ontmoetingen met drie maagden: van wie de eerste twee vaag genezing voorspellen. De zin die de hele bezwering draagt, is de zin van de derde maagd, vaak Maria. Soms lijkt die zin, hoewel onderdeel van het verhaal ook een bevel: ‘Het bloed zal stelpen’.

De Cock[iii] (blz. 279)vertelt een mooi voorbeeld van bezweringsformule tegen bloedingen uit het Vlaamsche Haspegouw: In den naam des V. en des Z. en des hl. G. Amen. Daar kwamen drie maren uit Cana in Galileeën. De eerste zei: het is gedaan; de tweede zei: het zal wel gaan. De derde zei: het zal wel helpen; belieft het God en Maria, het zal wel stelpen (Driemaal herhalen en dan negen O.V. en negen W.G. lezen) Een andere versie is: ‘Daar kwamen drie maagdekens gegaan. Het eerste zei bloed staat, het tweede zeide bloed staat stille, het derde zeide staat stille want ‘t is Jezus Christus wille’.
Voor als er iets in het oog zit: ‘Er is in mijn oog entwadde, het is er ingevlogen, het is noch goed noch kwaad, ‘t is onze lieve Vrouwe zaad.’ Hierbij zijn drie onze vaders en drie weesgegroeten voorgeschreven.
Ook meer uitgesponnen formules waren in gebruik. Zo’n klein verhaal bevatte meer elementen rond een bepaald motief. Zo kennen we verhalen met een wandelmotief, het ontmoetingsmotief, het drie-maagden motief, het levensberichtmotief en het motief van het opgelegde werk. Een wijd verspreid voorbeeld van het uitwijzingsmotief is te zien in de formule:

Uit het merg in het been
uit het been in het vlees
uit het vlees in de huid
uit de huid in deze muit,
Toe wormpjes kruip er uit 

Twee mannen in tekening zitten knieën tegen elkaar aan
Knie tegen knie Practical instruction in animal magnetism J. P. F Deleuze (1753-1835)

Hoe dicht procedures van belezen en magnetiseren bij elkaar lagen zien we in het verhaal ‘Eene parel op het oog’ van Viginie Loveling.[iv] Daarin beschrijft ze het bezoek van een meisje aan een belezer om een ‘parel op een oog’ te verwijderen

De belezer haalt een lange dunne kaars tevoorschijn, houdt die zelf aan de onderkant vast en gaat – knie tegen knie – voor de zieke zitten die de brandende kaars bovenaan moet vasthouden. Uit een boekje leest hij een gebedje en dan moet de zieke opstaan. Hij blaast driemaal de vlam van de kaars in haar oog. Dat ritueel moet negen dagen herhaald worden: voor zondopgang of na zonsondergang, zelfs al onweert het om bij te griezelen. De overlezer doet zulks ter ere Gods. (gratis)

In de bezweringsformule heeft het gesproken woord absolute voorrang op geschreven tekst. Daarnaast zijn er begeleidende handelingen waarvan sommige overeenkomsten vertonen met het magnetiseren zoals het hand opleggen, blazen, strijken en kruizen slaan.

Overeenkomsten met hypnose

Opmerkelijke overkomsten zijn er bij het tijdstip waarop het beste een bezwering uitgesproken kan worden of iemand gehypnotiseerd kan worden.
Van Haver: Als er een tijdstip aangeduid wordt constateren wij heel wat afwisseling. Hoewel de vermeldingen na zonsondergang en middennacht voorkomen is er een duidelijke voorkeur voor de morgen. Er zijn vermeldingen van ‘s morgens vroeg, ‘s morgens als de zon schijnt. Toch is het vooral de vermelding ’s morgens voor zonsopgang. Volgens Haver is dat het meest geschikte ogenblik omdat met de wegtrekkende duisternis ook de kwade oorzaak kan mee verdwijnen.
Volgens hypnoseonderzoekers als Rossi (1993) en anderen is het tijdstip van de dag een belangrijke factor in de hypnotiseerbaarheid. Ze vonden een tweeledige verdeling van scores op de Harvard Groeps Schaal voor Hypnotiseerbaarheid met een grote scherpe piek om 12 uur en de periode 5- 6 uur ´s morgens. Deze scores geven de optimale periodes van hypnotiseerbaarheid aan van respectievelijk de uilen (avondmensen ) en de leeuweriken (ochtendmensen).
Het tijdstip waarop de hypnotisering wordt uitgevoerd, is ook B. Stokvis niet onverschillig. Zonder te generaliseren vindt hij het onjuist te beweren, dat bij iedereen de hypnotische beïnvloeding dieper is wanneer zij des namiddags of ‘s avonds plaatsvindt; volgens zijn ervaring geldt dit niet bij vele neurotische patiënten, die – als bekend– ‘s avonds frisser zijn dan ’s morgens; deze zijn ook des ochtends vroeg dikwijls met succes te hypnotiseren.
De vraag is nog maar net of die momenten geschikt zijn voor hypnotiseerbaarheid of voor de suggestibiliteit.
Toen Emile Coué succes had met zijn systeem van zelfsuggestie waar geen slaap aan te pas komt kwam er uit religieuze hoek behalve kritiek ook navolging.
Brooks & Charles[v] bedachten een christelijke variant die ‘een eerste plaats bekleeden in de oefening van Christelijke suggestie. Men herhale haar met onafgebroken regelmaat, zonder onnoodig naar de uitwerking ervan te vragen, met een rustig volhardend geloof. Natuurlijk moet zij worden opgezegd op de tijden door Coué aanbevolen: ’avonds juist vóór het inslapen en ’s ochtends onmiddellijk na het ontwaken’

Toch een beetje hypnose & de koppeling

De goede hypnotiseur weet het: het gaat natuurlijk om de synthese tussen de slaapachtige toestand om de kritische factor te omzeilen en de suggesties.
Dat ontdekten de aanhangers van alleen de slaap zoals magnetiseurs en de hypnotiseurs die de school van Salpêtrière aanhingen. Maar ook degenen die alle heil verwachtten van alleen suggesties kwamen daar schoorvoetend van terug.
Emile Coué meende dat hij het zonder slaap kon maar zijn aanhangers zoals Charles Baudouin zagen dat toch een beetje anders. Volgens hem was de methode zelfs een lichte zelfhypnose en de Nederlandse Coué-isme propagandist Mia Kloek Pirée schrijft: ‘Ontspanning doet de zieke vlugger genezen! De kunst is dus, door zelfbeheersching de zenuwen te ontspannen, zich zo slap mogelijk te houden.’
Daarom vond ze het nodig om een ontspanningsoefening vooraf te laten gaan aan de autosuggestie en ontwierp ze voor haar cursisten ontspanningsoefeningen met ook aandacht voor bewust en diep ademhalen. Haar favoriete voorschrift dat ze de Couéisten aanraadt twee keer daags uit te spreken luidt: Ik ontspan en word volkomen rustig. Ik ontspan en word volkomen kalm.
Het was eigenlijk een vreemde ontwikkeling want eerder al lang bekend dat de combinatie het ei van Columbus was.
De bezweringsliteratuur bevat behalve suggesties door klank en bouw ontelbare ontspanningselementen. Het bezweren, opzeggen van gebeden of ook het reciteren van delen van het sint Jansevangelie had een ontspannende werking.
Ook modern onderzoek van onder meer de Italiaanse wetenschapper Luciano Bernardi[vi] en zijn collega’s toont dat aan.
Zij ontdekten dat het opzeggen van het Ave Maria-gebed en yogamantra’s hartritmes verbetert en synchroniseert. Dat komt doordat die de ademhaling vertragen tot bijna precies zes ademhalingen per minuut. En laat dat nu precies datgene zijn dat zorgt voor ontspanning.

Zowel het bidden als het opzeggen van mantra’s veroorzaakt opvallende, krachtige en synchrone toename in bestaande cardiovasculaire ritmes wanneer ze zes keer per minuut worden gereciteerd.
De Italianen concludeerden daarom dat ritmeformules waarbij je met zes ademhalingen per minuut ademt, gunstige psychologische en mogelijk fysiologische effecten veroorzaken.
Een mantra is een gedicht, woord, klank of uitspraak die veel worden gebruikt bij yoga- of meditatiesessies. Ze komen in lengte en opbouw sterk overeen met de bezweringsformulieren.

Tekening pijnlijke duim
Een bezeerde duim doet minder pijn tijdens het zingen van het Ave Maria

Ook het zingen blijkt in de praktijk al gecombineerd te zijn zoals in deze bezweringsformules bij een gezwollen vinger: ‘Zing op uwen kleinen vinger drie pater nosters, en omschrijf het zeere. Dan vervolgt de patiënt met het uitspreken van een Latijnse tekst: fuge diabolus ! Cristus te sequitur; quando natus est Cristus fugit dolor.
(vlucht duivel! Christus volgt u; toen Christus werd geboren, vluchtte de pijn) en sluit hij af met drie Onze Vaders en drie keer ‘Fuge diabolus.’ (Vlucht Duivel)

[1] Nacht-corter, of praetgen voor de vaeck, tusschen een Poolsche broeder, met zyn schipper, op de reyse van amsterdam nae Dansick. 1613

[i] Het boek der natuur –Jacob van Maerlant

[ii] J. van Haver, Nederlandse incantatieliteratuur

Een gecommentarieerd compendium van Nederlandse bezweringsformules, 1964

[iii] De Cock, A., Volksgeneeskunde in Vlaanderen (Gent, 1891)

[iv] Virginie Loveling, Bene Parel op het Oog, in Volkskunde, XIII (1900-1901), blz. 14-19.

[v] Brooks, C.H. Genees uzelf volgens de methode van E. Coue 1922, N.V. Theosofische Uitgeverij, 1e ed.,117 pp., De practische beoefening van autosuggestie. Met een voorwoord van Émile Coué.

[vi] Bernardi L, Sleight P, Bandinelli G, Cencetti S, Fattorini L, Wdowczyc-Szulc J, Lagi A. Effect of rosary prayer and yoga mantras on autonomic cardiovascular rhythms: comparative study. BMJ. 2001 Dec 22-29;323(7327):1446-9. doi: 10.1136/bmj.323.7327.1446.

©2022, Johan Eland / Illustraties Harry Eland

Menu