Deze blog gaat over de filosoof Henri Bergson en hoe hij kennismaakte met hypnose. Bergson beschrijft het opslaan en selectief gebruik maken van herinneringen en hoe hypnose de zintuigen verscherpt. 

Henri-Bergson portretHenri Bergson (1859-1941) was een invloedrijke Franse filosoof. Tussen 1883 en 1888 werkte hij als onderwijzer in Clermont-Ferrand. Daar werd hij uitgenodigd om een experiment met hypnose bij te wonen. Op grond van die proefnemingen bedacht hij zijn ‘filtertheorie’ van bewustzijn. Daarin stelt hij dat de hersenen geen herinneringen opslaan en waarnemingen doen maar juist herinneringen en waarnemingen beperken. Daaruit volgt dat herinneringen niet worden opgeslagen maar immaterieel zijn. Ze worden alleen gebruikt als ze nodig zijn voor een activiteit. Zo werkt het volgens Bergson ook met de waarneming. De hersenen selecteren en sturen alleen die waarnemingen door die op het juiste moment het lichaam tot de juiste bewegingen aanzetten. Bergson zag ook dat die wisselwerking tussen hersenen en geest omgekeerd kan zijn. Hij doelt daarmee op dromen en hypnose. De waarnemingen van iemand zijn dus noodzakelijkerwijs beperkt, en worden alleen behouden als ze lichamelijke functies beïnvloeden. De rest wordt onderdrukt

Hypnose

De filosoof maakte kennis met hypnose toen hij meedeed aan het experiment in Clermont-Ferrand. Daaruit bleek dat sommige proefpersonen stukken uit een boek konden lezen dat op vier meter afstand getoond werd.
Bergson dacht dat dit een voorbeeld kon zijn van hyperesthesie. De hypnose zou de werking van zintuigen zo kunnen versterken dat, zoals in dit geval, de proefpersoon de tekst kon lezen in de ogen van de onderzoeker die het boek vasthield. Dit experiment leek te wijzen op een paranormale gave van de proefpersoon maar was volgens Bergson een puur fysiologische gebeurtenis. Zijn ervaring met hypnose sterkte Bergson in zijn overtuiging dat je de waarneming en het geheugen kunt verbeteren.

Zijn ervaring met het hypnose-experiment publiceerde Bergson in het wetenschappelijk tijdschrift ‘Revue Philosophique de la France et de l’Étranger’. Het was zijn eerste publicatie over hypnose.
Later  maakte hij kennis met artikelen van Victor Egger, een Franse psycholoog en een van de eersten die verhalen verzamelde over wat later ‘bijna-doodervaringen’ zouden worden genoemd.
Bergson gebruikte die in zijn werk over dromen en trancetoestanden als steun voor zijn theorie van ‘gewoon geheugen’ en ‘zuiver geheugen’. Deze verhandeling verscheen in zijn Matter and Memory: An Essay on Mind-Body Relationship (1896), een boek dat het moderne denken over geest en hersenen sterk beïnvloedde.

DE LA SIMULATION INCONSCIENTE DANS L’ÉTAT D’HYPNOTISME

H. Bergson: ‘Revue Philosophique de la France et de l’Étranger, T. 22 (JUILLET A DÉCEMBRE 1886), pp. 525-531’

Onbewuste simulatie in hypnose

(Bewerkt en vertaald)

Hoofd achter boekOngeveer twee maanden geleden hoorde ik over hypnose-experimenten die de heer V. uit Clermont deed met een paar jongens tussen 15 en 17 jaar. Hij hield hen een boek voor waarvan ze alleen de omslag konden zien en liet ze raden wat hij daarin las of welk bladzijdenummer te zien was. Zelfs woorden of hele regels vroeg hij.
In de zeldzame gevallen dat hun antwoord onjuist was bleek het voldoende om de getallen cijfer voor cijfer of de woorden letter na letter te laten opnoemen om zich te corrigeren.

Ik mocht van meneer V. komen om deze gebeurtenissen mee te maken. Dat deed ik samen met meneer Robinet van de Faculteit van Wetenschappen te Clermont. Allebei vonden we dat V. opmerkelijk zorgvuldig werkte en dat hij te goeder trouw was.

Wij besloten deze ervaringen zelf te herhalen en nodigen de jonge P…i, P….r, J….n, en L…e, bij een van ons thuis uit.
Alle vier genieten een uitstekende gezondheid. Alleen L…, de meest interressante van hen, lijdt lang aan cefalalgies (Een op migraine lijkende hoofdpijn, J.E.) die plotseling een jaar wegbleef. Vanaf de eerste sessie slagen we erin hen te hypnotiseren door ze van heel dichtbij, met onze ogen wijd open, aan te kijken en hun blik 7 à 8 seconden vast te houden.

Vandaag leggen we plotseling een hand op hun hoofd en trekken hun aandacht naar onze ogen. Zo raken ze direct in een stupor met de meest uitgesproken hypnose-kenmerken. Ze staren met hun ogen overdreven wijd open, verliezen hun focus en verliezen elke intelligente uitdrukking. Tenslotte zien we alle typische fenomenen als cataleptie, algemene ongevoeligheid en koppigheid. Ook nemen ze de houdingen aan die hun magnetiseur hen voorstelt, enz. In het begin herkennen onze jongeren ons niet afzonderlijk. Nu mogen ze alleen degene van ons gehoorzamen die hen laat slapen. Soms horen ze elkaar.

Ik wil hier een merkwaardig feit rapporteren waarvan ik geen voorbeeld vond in hypnoseboeken.            De jonge L… e is in slaap gebracht door de heer Robinet. Op een bepaald moment vang ik L.’s blik op  waarna ik hem onmiddellijk aankijk om hem weer te hypnotiseren. Zo krijgt hij een nieuwe tweedegraads hypnose geënt op zijn eerste slaap. Zijn gezicht loopt rood aan, zijn spieren zijn gespannen. Door onze onervarenheid durven we dit niet langer dan zes à zeven seconden te laten duren en ik maak de jongen wakker. Nu blijkt hij in de staat te zijn waarin de heer Robinet hem het eerst bracht. Robinet blaast hem in zijn ogen om hem weer in zijn gewone doen te brengen. Ik weet niet wat er zou gebeuren als de tweede slaap die ik uitlokte door de heer Robinet met een derde hypnose bedekt zou worden. Maar nu kom ik bij het bijzondere doel van deze mededeling.

Meneer Robinet staat voor een raam met zijn rug bijna in het licht. Hij hypnotiseert L. en zet hem in zijn zicht. Dan opent Robinet een willekeurig boek en houdt dat bijna verticaal, zo’n 10 centimeter van zijn ogen, maar wel iets eronder zodat hij zijn proefpersoon kan blijven aankijken. Vervolgens beveelt hij L. het nummer van de opgeslagen bladzijde te noemen. Er van uitgaande dat L de eerste keer fout zit verbetert hij zich onmiddellijk nadat het boek een paar centimeter in één of andere richting  verschoven wordt, totdat hij zegt het nu duidelijk te lezen.

Boek lezen geblinddoektHij heeft succes wanneer hij de woorden aan de bovenkant van de pagina moet raden zoals de titels van het hoofdstuk. Dit gaat goed zolang die los staan van de rest van de tekst. We herhalen het experiment meermalen met de andere proefpersonen maar uitgezonderd P… r, die vrij vaak goed raadt, zijn hun antwoorden verre van bevredigend. Als ik een van de vier slaperige proefpersonen vraag, wat hij doet om het aantal of het woord te raden antwoord hij steevast: “Ik zie het” – “Waar zie je het?”- ?* – « “Daar.” En dan steek hij een vinger onder het boek door zodat hij de bladzijde kan aanraken waarnaar ik keek. Hij legt met verbazingwekkende precisie zijn vinger op het juiste nummer of titel.
Ik ben ook verbaasd dat hij kan lezen door de dikte van het boek en de omslag heen. Ik vraag hem:

“Toon me de omslag van het boek.” – “Hier is het boek”.

Het lukt niet. Het belangrijkste op het moment dat hij deze woorden uitspreekt, is dat hij het boek overhandigt met het voorplat en het titelblad. Hij vertelt me, niet de plaats van de werkelijke omslag, maar de symmetrische plek van die omslag in verhouding tot de open pagina. Kortom, voor zijn ogen is het boek open en voor mijn ogen is het boek gesloten.

Hij stelt zich voor dat hij aan het lezen is en natuurlijk zit de omslag dan achter de open pagina.           Dit brengt wat licht in de duisternis. We hadden al gemerkt dat, als onze jonge mannen   verkeerd zitten met de bladzijdennummering de fout vaak zit in de volgorde van de getallen. Vooral P…r overkomt het vaak dat hij 213 zegt in plaats van 312 en 75 in plaats van 57. Kortom alles wat de slaper zegt klopt maar hij leest het alsof hij in een spiegel kijkt.

Door deze waarnemingen lijkt het ons logisch dat de gemagnetiseerde proefpersoon leest van het hoornvlies van de magnetiseur. Dat fungeert dan als een spiegel.
Het gereflecteerde beeld is ongetwijfeld extreem klein. De te raden cijfers of letters zijn niet meer dan 3 mm hoog.
Ervan uitgaande dat het hoornvlies een 7,8 mm. krommingsradius heeft toont een eenvoudige berekening aan dat dit vlies, dat fungeert als een bolle spiegel, een beeld geeft van de cijfers en letters waarvan de hoogte iets minder dan 0,1 mm is.

Zo’n veronderstelling is niet ongeloofwaardig omdat hyperesthesie (overgevoeligheid voor prikkels van de zintuigen, JE) in hypnotisme voorkomt en vaak uitgelokt wordt met suggestie.

Dus beginnen we onze experimenten opnieuw. Eerst kijken we stiekem naar het bladzijde-nummer, dan sluiten we onze ogen alsof we twijfelen aan onze proefpersoon maar richten alle energie op de bladzijdenummers.

Het aantal successen is zo gering, zo onbetekenend, dat zelfs de meest goedgelovige onderzoeker niet zou aarzelen om ze net als wij, toe te schrijven aan het toeval. Er is dus geen spoor van mentale suggestie. We doen een derde reeks experimenenten. Deze keer met onze ogen open en dicht en met wisselend licht op de open pagina en het hoornvlies zodat het beeld min of meer scherp op het hoornvlies staat.

Het lezen gaat  beter als de onderzoeker met zijn rug half gekeerd naar het raam staat zodat het licht royaal valt op de bladzijde en zijn hoornvlies.
Ook helpt het als het beeld gevormd wordt op het deel van het hoornvlies dat de leerling maximaal kan zien. Dan contrasteert het beeld maximaal tegen de zwarte achtergrond.

Bril met letters als reflectieWe hebben geen manier om de cijfers en letters op het hoornvlies te meten of te zien of de lagere letters apart gezien worden, eventueel na een afzonderlijke suggestie. Het eenvoudigste zou zijn om hem een gefotografeerde pagina te laten zien die tot een derde verkleind is. Maar zo’n foto hebben we niet dus doen we het anders en minstens zo overtuigend. Om te raden kiezen we de jonge L … e  (de meest bekwame van onze proefpersonen bij het raden van de nummers) met een opmerkelijke hyperesthesie dus zeer geschikt voor ons verdere onderzoek. We tonen hem een microscopisch kleine foto van de leden van een Engels wetenschappelijk gezelschap.
foto is rechthoekig met een lange zijde van 2 mm. Een dozijn mensen staat of zit rond een tafel. L… kan ze beschrijven en bootst van de een na de ander zijn houding na. Ik suggereer hem dat de foto in kwestie zo groot is als een gewoon vel papier. Nu ziet hij hem inderdaad heel groot.

Dan geven we hem een preparaat van epidermaal weefsel (Stukje huid, JE) in handen waarvan de cellen en hun kernen anilinerood gekleurd zijn. De diameter van deze cellen is hooguit 0,06 mm; Ze zijn dus niet zichtbaar en zonder aanzienlijke vergroting is zelfs de aparte vorm niet te zien.
Natuurlijk krijgt hij niet de geringste aanwijzing van wat er op de glasplaat zit. We beperken ons ertoe hem er goed naar te laten kijken. We suggereren hem dat hij het heel groot ziet en het na te tekenen op een stuk papier.

Bij controle, blijkt  L… hexago (regelmatige zeshoek JE) cellen te tekenen zoals je die ziet onder een microscoop maar dan iets regelmatiger. Deze experimenten zijn niet nauwkeurig genoeg om de maximum vergroting te kunnen bepalen waartoe onze proefpersoon toe in staat is. Maar ze bewijzen overvloedig dat het lezen van een cijfer van een hoogte van ongeveer 0,1 mm. een probleemloze operatie is voor iemand in hypnose-slaap.

We denken hiermee aangetoond te hebben dat het vermeende lezen van een boek of gedachte in werkelijkheid gebeurt door te kijken naar het hoornvlies van de hypnotiseur. Dit is het punt waarop wij de aandacht willen vestigen van degenen die zich bezighouden met hypnose in het algemeen, en suggesties in het bijzonder.

In het bovenbeschreven geval lazen de proefpersoonen op ons hoornvlies de nummers of woorden die ze moesten raden. Toch beweren ze zelf dat ze ze zagen in het boek dat de heer V…  hen  liet lezen. We varieerden we onze vragen en zetten hen allerlei vallen voor maar nooit konden we hen ertoe brengen te bekennen dat ze het lazen op onze hoornvlies. We zijn er van overtuigd dat ze het echt niet weten.

Al met al waren ze vast besloten het comando om te lezen in dat boek, hoe dan ook, uit te voeren en  desnoods op de meest ingenieuze manieren deze krachttoer te volbrengen. Maar toch blijven ze ontkennen dat ze die middelen gebruikten. Ze zijn daarbij zonder twijfel helemaal te goeder trouw omdat ze impliciet werden bevolen om zich na afloop van het experiment niet bewust te worden of te specificeren welke middelen ze gebruikten om hun doel te bereiken.

De gehypnotiseerde proefpersoon is daarom geen simulator. Toch lijkt het alsof we met een zeer knappe simulator te maken hebben. Kunnen we niet zeggen dat er sprake is van een  een soort “onbewuste simulatie”?

Om meer licht te werpen op de aard van dit fenomeen zijn meer proeven nodig.
Ik sta en laat P…R. slapen en hem voor mij zitten. Ik laat hem geloven dat hij één is met mijn persoon en op mijn plaats staat. Dus zodra ik geprikt wordt, een sensatie voel, zal hij die op zijn beurt moeten ervaren en onmiddellijk de plek aangeven.

Alleen meneer B… is aanwezig. Hij staat achter me en steekt me met een speld in mijn nek mijn hoofd, benen en vooral mijn linkerhand, die ik achter mijn rug houd. Van een dozijn van dit soort proeven raadt P…  er nauwelijks twee verkeerd.

Als er ergens in mijn hand geprikt wordt geeft hij zelfs met enige nauwkeurigheid aan om welke vinger het gaat maar ook de plek waar ik gestoken ben èn de bijbehorende pijn. Geen twijfel dat hij de pijn voelt want bij een van de proeven is de pijn intens genoeg om hem wakker te maken. Daar gaat het allemaal om. Ik vraag meneer B. om af en toe te doen alsof hij de speld op verschillende plaatsen van mijn rug  steekt.  P… r  raakt niet altijd verstrikt in deze manoeuvre, maar vaak meldt hij pijn als ik niet aangeraakt ben. Touché.

We beginnen de experimenten weer, maar deze keer zetten we onze proefpersoon voor een open  deur, waarachter ik sta. Wij staan nu in dezelfde kamer, ik houd zelfs zijn hand vast, maar de deur   schermt hem volledig af van de bewegingen van de heer B…

Bij geen van de experimenten laat ik zijn hand los. Het is genoeg als hij kan knijpen. Alles wat ik doen moet is zachtjes zijn hand schudden als ik aangeraakt wordt zodat hij onmiddellijk laat weten of en zoja waar hij de prik voelt.

In feite is het onmogelijk om te bepalen waarom hij dat op een gegeven moment eerder dan de andere voelt. Hiervan kunnen we weinig denken maar vrij zeker is dat P…r in de eerste experimenten de bewegingen van meneer B …, zag. Ongetwijfeld zag hij geen handbewegingen of een deel van diens onderarmen maar wel zijn elleboog en ten minste de bewegingen van de elleboog, bovenarm en zijn lichaam. Met met deze elementen reconstrueerde hij de richting van de hand en raadde met grote trefzekerheid het punt waar de hand mij raakt.

En toch is dit intellectuele werk zo delicaat. Misschien komt er niets bij bewustzijn; maar misschien worden de bewegingen en beelden vertaald naar het bewustzijn van het slapende proefpersoon in de vorm van een steek op het hetzelfde punt waar volgens zijn berekeningen de speld van meneer B… moet landen. ****

Ik  weet nu niet of ik de volgende ervaring moet melden. Misschien is het te vroeg om er conclusies uit te trekken. De jonge P… r  is door mij in slaap gebracht. Ik neem zijn hand, ik nader met mijn voorhoofd zijn voorhoofd en vraag hem om het woord te raden waarop ik mijn aandacht richt.
Dat woord waarover ik moet nadenken schrijft meneer B… vooraf met een potlood op een stuk papier. Na enkele tellen verklaart P…r zonder aarzelen dat ik aan een boek denk. Met het woord ‘Balg’ volgt geen succes. In de derde test gebruiken we het woord ‘hoed’. Meneer B. legt op dezelfde manier het proces uit.

P… r aarzelt een beetje; dan, alsof hij moeite heeft met de articulatie van het woord stamelt hij: “H.   … hoe… hoed.”

We beginnen het experiment opnieuw, maar deze keer beperken we ons tot mij. Ik wijs met een vinger in een willekeurig  geopend boek een eenvoudig woord aan waarover ik moet nadenken:

Ondanks de vele experimenten raadt P … r  niet eenmaal goed. Het is vergeefse moeite om zijn taak te vergemakkelijken door hem één voor één de letters van het woord te laten aanwijzen in plaats van meteen volledig uit te spreken.

Hoewel we niet genoeg tijd hebben om de omstandigheden van dit experiment voldoende te  variëren kunnen we, geloof ik, wel vaststellen, dat in de eerste gevallen, P … r  met zijn ogen meneers B.’s potlood kon volgen en dat hij, ondanks de afstand en de onmogelijkheid in wakende staat te raden, door die potloodbewegingen het gezochte woord kon lezen.

Als dat zo is en het echt zo verliep is dit dan geen uitzonderlijk geval van “onbewuste simulatie” door een proefpersoon die heel goed weet welk woord hij moet uitspreken maar dat doet in twee of drie pogingen, alsof hij bezig is met een zware taak van waarzeggerij? En toch kunnen we, met wat we nu weten, er niet meer van maken. Maar om dicht bij huis te blijven: hij voert zijn taak zo goed als hij kan uit en gebruikt elk middel dat hem ten dienste staat omdat hij niet ongehoorzaam kán zijn.

Ik las in de Philosophical Review van februari 1886 (pagina 204*) een interessante artikel van de heer Beaunis. Het gaat over een geval van mentale suggestie. De slapende proefpersoon had een opdracht die door een van de aanzwezigen op een stuk papier was geschreven geraden. Hij hoefde de opdracht niet uit te voeren.

Meneer Beaunis vraagt zich af of de jongeman niet een manier gevonden had om het papier op afstand te lezen. Dit lijkt op de eerste proef die ik beschreef en lijkt mijn hypothese te bevestigen

In dit verband herinner ik mij een aantal buitengewone experimenten door de Society for Psychical Research. De heer Charles Richet rapporteert daarover, niet zonder enige scepsis, in een opmerkelijke artikel over mentale suggestie in de Revue Philosophique 18 (1884)*

De proefleider houdt een pak kaarten vast en richt al zijn aandacht op degene die hij aankijkt: een gehypnotiseerde proefpersoon die moet gaan raden. Eerder heeft hij 9 van de veertien keren goed geraden. Daarna 8 keer van de 27. Kunnen we aannemen dat alle voorzorgen waren genomen om te voorkomen dat de proefpersoon de afbeelding van de kaart kon zien op het hoornvlies van de onderzoeker als die naar de kaart keek?

Dezelfde vraag geldt ook voor de proef met portretten aangehaald door de heer Pierre Janet in een interessante mededeling in de Revue philosophique van februari 1886, bladzijde 198)***. Het is niet eens nodig om naar het plaatje in je hand te kijken om het in bepaalde posities op het hoornvlies te laten weerspiegelen.

Ik wil geen conclusies trekken uit het bovenstaande. Gevallen van mentale suggestie zijn waargenomen door bekwame en kritische onderzoekers zodat het moeilijk lijkt om het bestaan daarvan aan te vechten. Integendeel, de tegengestelde ervaringen zullen niets bewijzen zo lang de proeven niet gedaan zijn op dezelfde proefpersonen.

Maar ik vestig wel de aandacht op het feit dat een gehypnotiseerde proefpersoon, als hij bevolen wordt een krachttoer uit te voeren zoals het lezen van gedachten, zich te goeder trouw zal gedragen.

Net als de meest scrupuleuze en de meest bekwame charlatans gebruikt hij onbewust de middelen waarvan we nauwelijk het bestaan vermoeden, zoals hyperesthesie van het zicht of een ander zintuig. En doordat wij hem onbewust oproepen om die middelen te gebruiken door hem een bevel te geven dat hij op geen enkele andere manier kan uitvoeren.

Bergson,
Clermont-Ferrand, 9 juli  1886.
*         Beaunis, H. (1886). Un fait de suggestion mentale. Revue Philosophique, 11, 204.
**        C. Richet, “La suggestion mentale et le calcul des probabilities,” Revue Philosophique 18 (1884)
***      Janet, P. (1886). Note sur quelques phénomènes de somnambulisme. Revue Philosophique de la France et de l’Etranger, 21, 190-198. [publié auparavant : Janet, P. (1885). Note sur quelques phénomènes de somnambulisme séance du 30 novembre 1885). Bulletins de la Société de Psychologie physiologique, 1, 24-32].
****    Spiegelneuronen?

Geïnteresseerd geworden in hypnose? Om meer te weten te komen over hypnose vanuit algemene belangstelling of het volgen van een opleiding, meld je dan aan voor een gratis webinar, informatieochtend of instapcursus hypnose.