Van bel en spook tot Charcot, shell shock, straathypnose en Dave Elman. De principes achter de schrikhypnose van vroeger vormen vandaag de dag nog steeds de basis van moderne straathypnose. Schrikhypnose staat ook bekend als shockhypnose, flitsinductie.
Deze prentbriefkaart met het onderschrift De uitvinders van het Hypnotismelijkt op het eerste gezicht een eenvoudige grap. Twee straatjongens halen kattenkwaad uit. De ene jongen hijst op een stok een wit “spook” met maskerachtig gezicht omhoog voor een open raam. De andere trekt driftig aan de bel. Binnen schrikt een vrouw zich wezenloos: haar ogen staan wijd open, haar mond valt open en haar handen klemmen zich samen.
Juist de combinatie van beeld en geluid maakt de kaart bijzonder. Het slachtoffer schrikt niet alleen van een plotseling visueel effect, maar tegelijk van lawaai. De jongens creëren een kleine sensorische overval.
De afbeelding en onderschrift ‘De uitvinders van het Hypnotisme werken alleen omdat rond 1900 veel mensen al vertrouwd zijn met het idee dat plotselinge schrik het bewustzijn tijdelijk kan ontregelen. Niet alleen hypnotiseurs en artsen denken daarover na; ook kranten, variététheaters en populaire beeldcultuur spelen ermee. De kaart maakt van die gedachte volksvermaak. Zij suggereert dat hypnose niet noodzakelijk ontstaat door geheimzinnige magnetische krachten of plechtige suggesties, maar soms eenvoudigweg door iemand de stuipen op het lijf te jagen.
Ook de achterkant van de kaart helpt om haar historisch te plaatsen. Bovenaan staat “Postkarte” in 15 talen. Links lezen we “Printed in Germany”. Afzender is Nellie die de kaart stuurde aan Jongej. B. van Son, Utrechtschestraat 15 te Amsterdam. Het poststempel geeft aan 8 augustus 1912.
Dat plaatst de kaart precies in de periode waarin hypnose, zenuwschokken, hysterie en suggestie brede culturele fascinaties vormen. Dat de kaart is gedrukt in Duitsland en in zoveel talen doet vermoeden dat de voorstelling van schrikhypnose wijd en zijd herkenbaar is.
Rond die tijd verschijnen in medische en psychologische literatuur termen als Schreckhypnotismus, Schreck-Somnambulismus, schrikhypnose, schrikmagnetisme en schrikverlamming. Onderzoekers proberen te begrijpen waarom plotselinge prikkels — harde geluiden, onverwachte aanrakingen, lichtflitsen of abrupte bevelen — soms verstarring, automatische gehoorzaamheid of tranceachtige toestanden lijken op te roepen
De prentbriefkaart raakt aan een serieus cultureel en wetenschappelijk debat. Zij staat niet aan de rand van de geschiedenis van hypnose, maar midden erin.
De negentiende eeuw als zenuwtijdperk
De belangstelling voor schrikhypnose ontstaat niet toevallig. De negentiende eeuw ontwikkelt een bijna obsessieve fascinatie voor zenuwen, overprikkeling en bewustzijnsverandering. De moderne maatschappij produceer in hoog tempo nieuwe ervaringen: spoorwegen, snelheid, sensationele journalistiek en vooral in de stad elektrische verlichting, massabijeenkomsten, variété en theater.
Het zenuwstelsel lijkt steeds kwetsbaarder te worden. Artsen spreken over neurasthenie, hysterie en nerveuze uitputting. Tegelijk groeit de overtuiging dat emoties rechtstreeks op het lichaam kunnen inwerken.
Hypnose verschijnt precies in dat spanningsveld. Zij lijkt tegelijk modern en archaïsch: ze is een neurologisch verschijnsel en een psychologisch experiment. Daarnaast is ze een techniek van beïnvloeding en zowel een vorm van theater en tegelijk een restant van magie.
Vooral plotselinge schrikreacties fascineren onderzoekers. Waarom verstijven sommige mensen bij onverwachte spanning? Waarom lijken anderen tijdelijk automatisch te reageren? Waarom kan schrik soms het gewone denken uitschakelen? De negentiende eeuw zoekt antwoorden in magnetisme, hysterie, suggestie en neurologie.
Van Mesmer naar Faria: van vloeistof naar aandacht

De geschiedenis begint gedeeltelijk bij Franz Anton Mesmer. In de late achttiende eeuw ontwikkelt hij zijn theorie van het dierlijk magnetisme. Volgens Mesmer stroomt een subtiele universele kracht door mens en natuur. Ziekte ontstaat als die stroom verstoord raakt. Mesmer gebruikt magnetische passes, ijzeren staven, muziek en groepssessies rond het beroemde baquet. De reacties van patiënten zijn vaak spectaculair: stuipen, huilen, verstarring, trance en emotionele ontlading. Hoewel Mesmers theorie wetenschappelijk wordt verworpen, blijft één element belangrijk: sterke verwachting en emotionele spanning kunnen diepe lichamelijke reacties oproepen. Abbé José Custódio de Faria breekt daarna radicaal met Mesmers vloeistoftheorie. In De la cause du sommeil lucide uit 1819 stelt hij dat hypnose vooral ontstaat door concentratie en suggestie. Toch gebruikt ook Faria opvallend abrupte methoden. Zijn beroemde bevel Dormez! kan proefpersonen vrijwel onmiddellijk in trance brengen. Voor tijdgenoten oogt dat dramatisch. Het gewone bewustzijn lijkt plotseling weg te vallen. Faria introduceert daarmee een cruciale verschuiving: niet een magnetische kracht veroorzaakt de trance, maar een psychologische reactie. Juist daarin ligt een vroege voorloper van schrikhypnose.
Charcot en de theatrale neurologie van de Salpêtrière

In de tweede helft van de negentiende eeuw krijgt het onderwerp een neurologische betekenis bij Jean-Martin Charcot in de Parijse Salpêtrière. Hij onderzoekt vooral vrouwelijke hysteriepatiënten, de beroemde grandes hystériques. Volgens hem hebben zij een bijzondere neurologische gevoeligheid waardoor hypnotische verschijnselen zichtbaar en reproduceerbaar worden. Zijn beroemde dinsdagdemonstraties trekken enorme belangstelling. Artsen, kunstenaars, journalisten en nieuwsgierigen stromen toe. De kliniek wordt deels theater. Tijdens die demonstraties gebruikt Charcot plotselinge sensorische prikkels waaronder gong- en tamtamslagen; fel Drummond-kalklicht; trillende stemvorken en onverwachte aanrakingen.
Later schrijft dr. S. Koster daarover hoe sommige patiënten na een harde slag op een tamtam verstijven en zich niet meer kunnen bewegen. Hij noemt deze toestanden kataplexie of “schrikhypnosen”. Volgens hem staan zulke reacties niet op één lijn met gewone therapeutische hypnose.
In andere experimenten zet Charcot patiënten op resonantiekasten terwijl zware stemvorken onverwachtsbeginnen te trillen. Sommige patiënten raken daardoor kataleptisch en blijven in opgelegde houdingen staan. Charcot interpreteert deze reacties neurologisch. Voor hem tonen zij geen mysterieuze kracht, maar een kwetsbaar zenuwstelsel. Toch blijven de demonstraties spectaculair. Kunstenaars tekenen verstarde lichamen. Fotografen leggen hysterische houdingen vast. De grens tussen laboratorium en toneel vervaagt voortdurend.
Nancy versus Parijs
Niet iedereen accepteert Charcots visie. De Nancy-school rond Hippolyte Bernheim bekritiseert zijn nadruk op hysterie. Bernheim stelt dat hypnose geen zeldzame neurologische afwijking is, maar vooral een psychologisch verschijnsel van aandacht en suggestie. Volgens hem kan een sterke emotionele indruk de aandacht zodanig fixeren dat suggesties gemakkelijker binnendringen. Daarmee verschuift de discussie langzaam van neurologische defecten naar psychologische beïnvloeding. Schrikhypnose krijgt in dat debat een bijzondere plaats. Voor Charcot bewijst zij de neurologische kwetsbaarheid van hysterische patiënten. Voor Bernheim toont zij juist hoe plotselinge aandachtfixatie de geest ontvankelijk maakt.
Moll, Dessoir en Schreck-Somnambulismus
Andere onderzoekers proberen het verschijnsel systematischer te beschrijven. Albert Moll schrijft dat een plotselinge schrik een toestand kan veroorzaken die “zeer dicht bij de hypnotische toestand staat”. Max Dessoir gebruikt later de term Schreck-Somnambulismus. Daarmee bedoelt hij toestanden waarin iemand na een schrikreactie automatisch lijkt te handelen. Het gewone denken lijkt daarbij tijdelijk stil te vallen. Het individu reageert nog wel, maar minder bewust en meer automatisch. Moderne termen als dissociatie, startle response, freeze-reactie en pattern interrupt
bestaan dan nog niet, maar de observaties komen opvallend dichtbij.
Schrikhypnose in de krant
De belangstelling blijft niet beperkt tot medische tijdschriften. Kranten volgen hypnotische experimenten met grote aandacht. Het Haarlem’s Dagblad van 31 maart 1894 doet verslag van de soirée van hypnotiseur Dr. Siegfried Wallner de vorige avond in de Groote Zaal van de schouwburg. Hij vertelt de bezoekers van de soirée over verschillende vormen van hypnose, waaronder gewone hypnose en schrikhypnose. Hypnose hoeft niet altijd geleidelijk te ontstaan. Een plotselinge prikkel kan volgens Wallner ook direct een hypnotische toestand oproepen: “B.v. door het lawaai van een slag op een tamtam wordt de eene patiënt in hypnose gebracht.”

Zo plaatst Wallner de gewone hypnose naast abrupte schrikhypnose, kataleptische verstarring en hypnotische slaap. Hij verwijst bovendien naar het debat tussen Charcot en de Nancy-school, waardoor de voorstelling een populair-wetenschappelijk karakter krijgt. Ook andere kranten schrijven over magnetische slaap en kunstmatige slaap door plotselinge bevelen, onverwachte aanrakingen en over proefpersonen die “door een enkel woord” in trance raken. De pers presenteert zulke verschijnselen vaak half wetenschappelijk en half sensationeel. Hypnose wordt tegelijk serieus onderzoek en populair amusement.
Volksgeloof, schrikziekte en de boze blik
De culturele wortels van schrikhypnose reiken echter verder terug dan de moderne neurologie. Seligmann beschrijft in Die Zauberkraft des Auges und das Berufen verschillende vormen van schrikziekte die samenhangen met de boze blik. Bij een joodse huisvrouw in de Bukowina gebruikt men bezems en gesmolten was om te bepalen waardoor een kind is geschrokken. De gestolde was zou de persoon of het dier tonen dat de schrik veroorzaakte. Seligmann noemt ook Chinese jadezegels die kinderen moeten beschermen tegen plotselinge schrik. Daarnaast beschrijft hij allerlei amuletten waaronder de schreckstein, die zouden beschermen tegen schadelijke invloeden van schrik en de boze blik. Hier is schrik geen neurologisch verschijnsel, maar een aantasting van levenskracht, ziel of bescherming. Toch blijft de kern herkenbaar: plotselinge emotionele schokken kunnen het lichaam ontregelen.
Exorcisme en rituele schrik
Ook exorcisme vertoont opmerkelijke parallellen met schrikhypnose. Bij Johann Joseph Gassner (1727-1779) zien we autoriteit, dramatische rituelen, abrupte bevelen maar ook religieuze spanning en emotionele overweldiging. Die combinatie kan tranceachtige toestanden oproepen. Mesmer reageert later deels op Gassner. Waar Gassner spreekt over demonen, spreekt Mesmer over magnetische krachten. Toch gebruiken beiden een vergelijkbaar psychologisch decor: verwachting, spanning, suggestie en schrik.
Dierlijke hypnose, thanatose en immobilisatie
De moderne hypnose erft vermoedelijk iets van beide tradities. Vanaf het einde van de negentiende eeuw vergelijken onderzoekers menselijke schrikhypnose steeds vaker met dierlijk gedrag. Berthold Stokvis beschrijft hoe dieren plotseling verstarren wanneer men hen onverwacht vastpakt of in een onnatuurlijke houding brengt. Hij noemt behalve kippen ook konijnen, honden, kikkers en zelfs schildpadden, krabben en insecten. Bij een kip kun je door plotseling de kop naar beneden te drukken een toestand oproepen waarin het dier roerloos blijft liggen. Stokvis en anderen gebruiken de termen, totstellreflex, immobilisatiereflex en thanatose. Tegenwoordig spreken biologen meestal van tonic immobility: een evolutionaire overlevingsreactie waarbij het dier zich dood houdt. Negentiende-eeuwse onderzoekers noemen zulke reacties soms “dierlijke hypnose”. Dat begrip is biologisch te ruim, maar historisch begrijpelijk. De overeenkomst met menselijke verstarring springt immers in het oog.
Van thanatose naar oorlogsschrik
Stokvis trekt die vergelijking vervolgens door naar mensen. Tijdens de bezettingsjaren ziet hij reacties bij mensen die tot dan toe als psychisch normaal bekendstaan. Sommigen verstarren volledig bij dreiging van deportatie. Die immobilisatie doet hem denken aan hypnotische catalepsie. De Eerste Wereldoorlog maakt zulke observaties nog urgenter. Soldaten onder langdurig artillerievuur ontwikkelen symptomen die later shell shock gaan heten: mutisme; verstarring; bevingen; automatische gehoorzaamheid; apathie; schemertoestanden. Ernst Kretschmer beschrijft hoe schrik- en angstaffecten het psychomotorische systeem tegelijk heftig prikkelen en plotseling kunnen verlammen. Hij noemt onder meer kramp, spierverlamming, stupor, bewegingsstormen, paniekvluchten en bewustzijnsvertroebeling. Bij langdurige oorlogsdreiging kunnen zulke reacties chronisch worden. Ook burgers ervaren vergelijkbare toestanden tijdens bombardementen en luchtalarm. In latere literatuur verschijnt daarvoor de term air-raid shock. Moderne traumapsychologie verklaart zulke reacties anders dan negentiende-eeuwse hypnotiseurs deden, maar de overeenkomsten blijven opvallend. Schrik vernauwt het bewustzijn en automatiseert gedrag.
Schrikhypnose in populaire cultuur: Het Grand Guignol: theater van angst, hypnose en suggestie
Talloze boeken en korte verhalen met allerlei soorten schrikhypnose verschijnen. Ook het theater laat zich niet onbetuigd.
Het Théâtre du Grand-Guignol is een klein Parijs theater dat van 1897 tot 1962beroemd is door gruwel, krankzinnigheid, medische experimenten en psychologische terreur. Het is opgericht door Oscar Méténier in Pigalle en groeit rond 1900 uit tot hét theater van de schok. Het Grand Guignol is vooral interessant door de nauwe band met hypnose, hysterie en suggestie. Het theater ontstaat in een tijd waarin Parijs gefascineerd is door de demonstraties van Jean-Martin Charcot in de Salpêtrière. Daar worden hysterische aanvallen, trance, catalepsie en hypnotische toestanden bijna als toneelbeelden getoond. Het Grand Guignol neemt die medische sfeer over, maar maakt er horror van.

Een sleutelfiguur is André de Lorde (1869–1942), de “prins van de angst”. Hij schrijft in het begin van de twintigste eeuw vele Grand Guignol-stukken over waanzin, psychische dwang, erfelijke degeneratie en medische macht. Opmerkelijk is zijn samenwerking met psycholoog Alfred Binet (1857–1911), bekend van de intelligentietest, maar ook van zijn werk met suggestie, dubbel bewustzijn en hypnose. Hypnose in het Grand Guignol is meestal geen keurige salontruc, maar een angstbeeld: iemand verliest zijn wil, raakt onder invloed van een arts, minnaar, krankzinnige of idee, en doet iets zonder nog “zichzelf” te zijn. Rond 1900 is de angst voor suggestion criminelle — misdaad onder hypnotische invloed — wijdverbreid.
Een belangrijk voorbeeld is Le Système du docteur Goudron et du professeur Plume, naar Edgar Allan Poe, rond 1903 verbonden met het Grand Guignol. Hier wordt het krankzinnigengesticht een omgekeerde wereld waarin arts en patiënt niet meer te onderscheiden zijn. In Le Laboratoire des hallucinations van André de Lorde en Henri Bauche, opgevoerd in 1916, wordt het laboratorium een plaats waar hallucinaties, experimenten en psychische manipulatie samenvallen.
Het Grand Guignol werkte zelf bijna hypnotisch. De voorstellingen wisselden gruwel en klucht af, waardoor het publiek telkens ontspande en opnieuw werd aangegrepen. De effecten zijn bloederig, maar de sterkste werking ligt in suggestieve, spanning, stilte, licht, angstige blikken, medische instrumenten en het gevoel dat de menselijke wil breekbaar is. Na de Tweede Wereldoorlog verliest het theater zijn kracht; de werkelijkheid heeft de toneelgruwel ingehaald en in 1962 sluit ze definitief haar deuren.
Waarom werkt schrik zo sterk?
Negentiende-eeuwse onderzoekers geven verschillende verklaringen voor schrikhypnose. Bernheim benadrukt aandachtfixatie waarbij de plotselinge prikkel alle aandacht naar één punt trekt.
Andere auteurs spreken over onderbreking van het bewustzijn, tijdelijke uitschakeling van kritisch denken, automatische gehoorzaamheid en dissociatie. Moderne psychologie gebruikt termen als: startle response, freeze-reactie, cognitieve overload en pattern interrupt. De kern blijft echter opvallend constant. Dat is een onverwachte schok die kort het normale mentale patroononderbreekt. In dat korte moment krijgen suggesties hun kans.
Straathypnose: de beschaafde mini-schrik
In moderne straathypnose komt dat mechanisme duidelijk terug.
Straathypnotiseurs gebruiken vaak een pattern interrupt: een abrupte onderbreking van automatisch gedrag. Het bekendste voorbeeld is de handdrukonderbreking.
Iemand verwacht een gewone handdruk. Midden in die automatische beweging verandert de hypnotiseur plotseling het patroon en geeft direct een suggestie: “Slaap.”“Kijk hier.” Of “Ontspan.”
De persoon ervaart meestal geen hevige angst, maar wel een korte cognitieve schok:
“Wat gebeurt hier?”
Dat moment van verwarring vernauwt de aandacht.
Straathypnose gebruikt dus geen brute schrik zoals Charcots tamtam of kalklicht. Zij gebruikt een sociale mini-schrik: een gecontroleerde verrassing.
Andere straattechnieken werken vergelijkbaar: hand drop; hand clasp; shock induction.
Steeds wordt een automatisch verwachtingspatroon abrupt onderbroken.
Aanraking als historische rode draad
Aanraking speelt door de hele geschiedenis van schrikhypnose een opvallende rol.
Bij Charcot en andere negentiende-eeuwse onderzoekers kan een onverwachte aanraking zelf de schokprikkel vormen.
In straathypnose krijgt aanraking een strategische functie: de handdruk; een plotselinge armbeweging; het begeleiden van een beweging.
De aanraking helpt om het automatische gedrag te doorbreken.
Bij Dave Elman verandert die rol opnieuw. Aanraking ondersteunt daar vooral ontspanning, aandacht, de focus en veiligheid.
Bij Milton Erickson is aanraking meestal onbelangrijk. Hij verschuift de onderbreking naar taal en betekenis.
Dave Elman: de domesticatie van de schrikreactie
Dave Elman geeft een cruciale overgang tussen oude schrikhypnose en moderne hypnotherapie.
Hij werkte oorspronkelijk in entertainment en radio, maar ontwikkelt later snelle hypnosetechnieken die vooral artsen waarderen vanwege hun efficiëntie.
Hij gebruikt geen brute sensorische schokken meer. Toch blijft zijn methode gebaseerd op hetzelfde fundamentele principe: een tijdelijke onderbreking van verwachtingen.
Zijn bekende inductie begint met oogsluiting en ontspanning. Daarna krijgt de cliënt de suggestie dat de oogleden zo ontspannen zijn dat zij niet meer open kunnen.
Wanneer iemand vervolgens probeert de ogen te openen en merkt dat dit niet lukt, ontstaat een kort moment van cognitieve ontregeling: “Waarom lukt dit niet?”
Precies dat moment gebruikt Elman voor verdere verdieping.
De oude schrikreactie verandert hier in een gecontroleerde mentale verrassing.
Ook Elmans techniek van fractionation past in dezelfde lijn. De cliënt opent en sluit herhaaldelijk de ogen. Iedere overgang tussen reageren en wegzinken vormt opnieuw een kleine onderbreking van het gewone bewustzijn.
Daardoor verdiept de trance zich steeds verder.
Historisch gezien “temt” Elman dus de oude schrikhypnose: minder theater; minder angst; meer techniek; meer controle; meer therapeutische toepasbaarheid.
Erickson: schrik zonder schrik
Milton Erickson vormt daarna opnieuw een verschuiving.
Waar Charcot werkt met sensorische schokken en Elman met snelle cognitieve inducties, gebruikt Erickson vooral metaforen, dubbelzinnigheid en subtiele verwarringmaar ook indirecte suggesties en betekenisverschuivingen.
Ook Erickson onderbreekt gewone denkpatronen, maar veel subtieler. De “schok” vindt nu plaats in taal.
Een cliënt verwacht een logisch gesprek, maar Erickson verandert onverwacht de betekenisrichting. Daardoor stokt het gewone analyseren even en ook dan ontstaat aandachtfixatie, tijdelijke verwarring en verhoogde ontvankelijkheid.
De sensorische schrik van Charcots gong verandert uiteindelijk in semantische ontregeling.
Van tamtam naar taal

Vanuit historisch perspectief ontstaat zo een opmerkelijke ontwikkeling.
Bij Charcot verschijnt de onderbreking nog als brute sensorische schok met gongslagen, kalklicht, tamtams en plotselinge schrikreacties.
In straathypnose verandert die schok in sociale verwarring via handdrukonderbrekingen en snelle patroonbreuken.
Dave Elman maakt dezelfde dynamiek vervolgens geschikt voor therapeutisch gebruik door gecontroleerde cognitieve inducties en fractionation.
Milton Erickson verplaatst het mechanisme grotendeels naar taal, metaforen en subtiele mentale ontregeling.
De technieken veranderen sterk, maar de kern blijft opvallend constant: het gewone bewustzijn wordt kort onderbroken, waarna suggestie gemakkelijker ingang vindt.
De prentbriefkaart opnieuw bekeken
Vanuit die lange geschiedenis krijgt de prentbriefkaart De uitvinders van het Hypnotisme een verrassend betekenis.
De twee jongens lijken simpele grappenmakers, maar zij voeren eigenlijk een miniatuurversie uit van een veel groter cultureel idee: plotselinge schrik kan het bewustzijn ontregelen.
Hun methode bevat bijna alle klassieke ingrediënten: onverwachte prikkel, sensorische overval, aandachtfixatie, emotionele schok en tijdelijke ontregeling.
De kaart parodieert daarmee niet alleen hypnose, maar ook de toen moderne obsessie met zenuwen, suggestie en beïnvloedbaarheid.
Wat in de Salpêtrière gebeurt met tamtams en kalklicht, gebeurt hier met een laken en een bel.
Conclusie
Schrikhypnose is een vergeten maar fascinerend hoofdstuk in de geschiedenis van hypnose en suggestie.
Van volksgeloof aan schrikziekte en de boze blik, via Mesmer, Faria en Charcot, tot shell shock, straathypnose, Dave Elman en Erickson loopt een opmerkelijk consistente lijn:
plotselinge schrik of ontregeling kan het gewone bewustzijn tijdelijk onderbreken.
Negentiende-eeuwse artsen beschrijven dat mechanisme met termen als: Schreckhypnotismus; Schreck-Somnambulismus; kataplexie; schrikverlamming.
Moderne hypnotiseurs spreken eerder over pattern interrupt, aandachtfixatie en cognitieve verwarring.
Maar het onderliggende verschijnsel blijft herkenbaar.
De oude tamtam van Charcot klinkt daardoor nog altijd na: in oorlogstrauma, in straathypnose, in snelle inducties, en zelfs in de humor van een Amsterdamse prentbriefkaart uit 1908.
Literatuurlijst
- Bernheim, H. — Hypnotisme, Suggestie, Psychotherapie. Akademische voorlezingen, 1891
• Binet, A. & Ch. Féré — Le magnétisme animal, 1887 - Charcot: Didi-Huberman, Georges, Invention of Hysteria: Charcot and the Photographic Iconography of the Salpêtrière, 2003
• Dessoir, M. — Das Doppel-Ich, 1896
• Elman, D. — Hypnotherapy, 1983
• Erickson, M.H. & E.L. Rossi — Hypnotherapy. An Exploratory Case Book, 1979
• Faria, L’Abbé de — De la sommeil lucide ou Étude de la Nature de l’Homme, 1906
• Gassner — Die wirksame Psychotherapie des Teufelsbanners Johann Joseph Gassner 1775 (B. Peter), in: Hypnose und Kognition, Band 17, 2000
• Koster, S. — Leerboek der hypnose. Met inbegrip der hypno-analyse, 3e druk, 1956
• Kretschmer, E. — Psycho-therapeutische Studien, 1949
• Menge, A. — Schreckenvisionen: Destruktionsängste in E.T.A. Hoffmanns “Der Sandmann”, 2007 (GRIN)
• Moll, A. — Der Hypnotismus, 1907 - Seligmann, S. Die Zauberkraft des Auges und das Berufen, z.j /1921 ,
• Stokvis, B. — Hypnose in de geneeskundige praktijk, 1953
• Panse, F. — Angst und Schreck, 1952
• Voss, G. — Der Hypnotismus, 1907 (Schreckhypnose, blz. 22)
• Vroom, M.G. — Schrik, angst en vrees, 1946
Verder lezen

Auteur
Johan Eland wordt beschouwd als een van de toonaangevende experts op het gebied van hypnoseliteratuur in Nederland. Met een sterke achtergrond in gedragswetenschappen en een diepe passie voor wetenschappelijk onderzoek naar hypnose, schrijft hij regelmatig blogs waarin hij zijn kennis deelt.
Hij is auteur van Het hypnotisch oxytocinisch complex en bezit een antiquariaat genaamd Llith met een grote collectie hypnoseboeken in verschillende talen, waaronder oude en bijzondere uitgaven. Deze boeken zijn te koop via Boekwinkeltjes. Johan is te bereiken via info@lilith.nl


